Verdrag tot verbod biologische oorlogsvoering en vernietiging van deze wapens, Genève, 03-09-1992

Home/verdragen internationaal/Verdrag tot verbod biologische oorlogsvoering en vernietiging van deze wapens, Genève, 03-09-1992

Verdrag tot verbod biologische oorlogsvoering en vernietiging van deze wapens, Genève, 03-09-1992

Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en […] chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, Genève, 03-09-1992

Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Vastbesloten handelend op te treden ten einde daadwerkelijke vorderingen te bereiken in de richting van algemene en volledige ontwapening onder nauwlettend en doeltreffend internationaal toezicht, met inbegrip van het verbieden en uitbannen van alle vormen van massavernietigingswapens,

Geleid door de wens bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties,

In herinnering brengend dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties herhaaldelijk elk optreden dat in strijd is met de beginselen en doelstellingen van het Protocol van Genève van 17 juni 1925 nopens het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogvoering (Protocol van Genève van 1925) heeft veroordeeld,

Erkennend dat dit Verdrag de hernieuwde bevestiging vormt van de beginselen en doelstellingen van en de verplichtingen aangegaan ingevolge het Protocol van Genève van 1925 en het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972,

Indachtig de doelstelling neergelegd in artikel IX van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens,

Vastbesloten, in het belang van de gehele mensheid, de mogelijkheid van het gebruik van chemische wapens volledig uit te sluiten door toepassing van de bepalingen van dit Verdrag en aldus de ingevolge het Protocol van Genève van 1925 aangegane verplichtingen aan te vullen,

Erkennend het verbod van het gebruik van herbiciden als een vorm van oorlogvoering, neergelegd in de daarop betrekking hebbende overeenkomsten en de desbetreffende beginselen van het internationale recht,

Erkennend dat op het terrein van de chemie bereikte resultaten uitsluitend ten bate van de mensheid dienen te worden aangewend,

Geleid door de wens de vrije handel in chemische stoffen, alsook de internationale samenwerking en uitwisseling van wetenschappelijke en technische gegevens op het terrein van chemische activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden te bevorderen, ten einde de economische en technologische ontwikkeling van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag te versterken,

Ervan overtuigd dat een volledig en doeltreffend verbod van de ontwikkeling, de produktie, de verwerving, de opslag, het in bezit houden, de overdracht en het gebruik van chemische wapens en de vernietiging van deze wapens een noodzakelijke stap vormen met het oog op de verwezenlijking van deze gemeenschappelijke doelstellingen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I. Algemene verplichtingen

  • 1Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe nimmer en onder geen enkele omstandigheid:

    • a.chemische wapens te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, een voorraad daarvan aan te leggen of in bezit te houden, dan wel aan wie dan ook direct of indirect over te dragen;

    • b.chemische wapens te gebruiken;

    • c.zich bezig te houden met militaire voorbereidingen tot het gebruik van chemische wapens;

    • d.wie dan ook op enigerlei wijze te helpen, aan te moedigen of aan te zetten tot een ingevolge dit Verdrag aan een Staat die Partij is bij dit Verdrag verboden activiteit.

  • 2Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft of die zich bevinden op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, te vernietigen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

  • 3Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe alle chemische wapens die hij heeft achtergelaten op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag te vernietigen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

  • 4Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft of die zich bevinden op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, te vernietigen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

  • 5Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe oproerbestrijdingsmiddelen niet als vorm van oorlogvoering te gebruiken.

Artikel II. Begripsomschrijvingen en criteria

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • 1.Wordt onder „chemische wapens” verstaan het onderstaande, tezamen of afzonderlijk:

    • a.giftige stoffen en hun voorlopers, behalve wanneer deze zijn bestemd voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, zolang de soorten en hoeveelheden in overeenstemming met zulke doeleinden zijn;

    • b.munitie en andere inzetmiddelen, specifiek ontworpen om de dood of andere schade te veroorzaken door de toxische eigenschappen van de giftige stoffen bedoeld in letter a, die zouden vrijkomen als gevolg van het gebruik van zulke munitie en andere inzetmiddelen;

    • c.uitrusting specifiek ontworpen voor rechtstreeks met de aanwending van de in letter b bedoelde munitie en andere inzetmiddelen verband houdend gebruik.

  • 2.Wordt onder „giftige stof” verstaan:

    iedere chemische stof die door zijn chemische inwerking op levensprocessen de dood, tijdelijke functie-aantasting of blijvende schade aan mensen of dieren kan veroorzaken. Hiertoe behoren alle zodanige chemische stoffen, ongeacht hun herkomst of hun wijze van produktie en ongeacht of zij worden geproduceerd in inrichtingen, in munitie of elders.

    (Voor de toepassing van dit Verdrag zijn de aan verificatiemaatregelen onderworpen giftige stoffen genoemd in de Lijsten in de Bijlage inzake stoffen.)

  • 3.Wordt onder „voorloper” verstaan:

    ieder chemisch reagens dat is betrokken bij enigerlei stap in de produktie van een giftige stof, ongeacht de wijze van produktie. Hiertoe behoort mede ieder hoofdbestanddeel van binaire of verscheidene bestanddelen bevattende chemische systemen.

    (Voor de toepassing van dit Verdrag zijn de aan verificatiemaatregelen onderworpen voorlopers genoemd in de Lijsten in de Bijlage inzake stoffen.)

  • 4.Wordt onder „hoofdbestanddeel van binaire of verscheidene bestanddelen bevattende chemische systemen” (hierna te noemen „hoofdbestanddeel”) verstaan:

    de voorloper die de belangrijkste rol speelt bij de bepaling van de toxische eigenschappen van het eindprodukt en snel reageert met andere stoffen in het binaire of verscheidene bestanddelen bevattende systeem.

  • 5.Wordt onder „oude chemische wapens” verstaan:

    • a.chemische wapens geproduceerd vóór 1925; of

    • b.chemische wapens geproduceerd in het tijdvak tussen 1925 en 1946, waarvan de toestand in zodanige mate is verslechterd dat zij niet langer als chemische wapens kunnen worden gebruikt.

  • 6.Wordt onder „achtergelaten chemische wapens” verstaan:

    chemische wapens, met inbegrip van oude chemische wapens, die na 1 januari 1925 door een Staat zijn achtergelaten op het grondgebied van een andere Staat zonder de toestemming van laatstbedoelde Staat.

  • 7.Wordt onder „oproerbestrijdingsmiddelen” verstaan:

    alle niet in een Lijst genoemde chemische stoffen die bij mensen snel tot irritatie van de zintuigen leiden of een handelingen belemmerende werking hebben, welke binnen korte tijd na beëindiging van de blootstelling verdwijnen.

  • 8.Onder „inrichting voor de produktie van chemische wapens” wordt verstaan:

    • a.apparatuur, alsmede elk gebouw waarin zulke apparatuur is ondergebracht, die op enig tijdstip na 1 januari 1946 is ontworpen, gebouwd of gebruikt:

      • i.als onderdeel van de fase in de produktie van chemische stoffen („laatste technologische fase”) waarbij de materiaalstromen – wanneer de apparatuur wordt gebruikt – zouden bevatten:

        • 1.stoffen genoemd in Lijst 1 in de Bijlage inzake stoffen; of

        • 2.andere stoffen die in een hoeveelheid van meer dan 1 ton per jaar op het grondgebied van een Staat die Partij is bij dit Verdrag of op een andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag niet van nut zijn voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, maar die kunnen worden gebruikt voor chemische wapens;

        of

      • ii.voor het vullen van chemische wapens, met inbegrip van onder meer het laden van stoffen genoemd in Lijst 1 in munitie, andere inzetmiddelen of houders voor opslag in grote hoeveelheden, het laten van stoffen in houders die deel uitmaken van geassembleerde binaire munitie en andere inzetmiddelen met één chemisch bestanddeel en het aanbrengen van de houders en chemische submunitie in de onderscheiden munitie en andere inzetmiddelen;

    • b.Hieronder wordt niet verstaan:

      • i.een inrichting met een produktiecapaciteit voor het synthetiseren van stoffen bedoeld in letter a onder i die kleiner is dan 1 ton;

      • ii.een inrichting waarin een in letter a onder i bedoelde stof wordt of werd geproduceerd als onvermijdelijk bijprodukt van activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, mits de stof niet meer dan 3 procent van het totale produkt uitmaakt en mits de inrichting moet worden opgegeven en is onderworpen aan inspectie ingevolge de Bijlage inzake uitvoering en verificatie (hierna te noemen de „Verificatiebijlage” ); of

      • iii.de afzonderlijke kleinschalige inrichting voor de produktie van in Lijst 1 genoemde stoffen voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden zoals bedoeld in Afdeling VI van de Verificatiebijlage.

  • 9.Wordt onder „ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden” verstaan:

    • a.onderzoeksdoeleinden, dan wel industriële, agrarische, medische, farmaceutische of andere vreedzame doeleinden;

    • b.beschermingsdoeleinden, namelijk doeleinden die rechtstreeks samenhangen met bescherming tegen giftige stoffen en bescherming tegen chemische wapens;

    • c.militaire doeleinden die geen verband houden met het gebruik van chemische wapens en niet afhankelijk zijn van het gebruik van de toxische eigenschappen van stoffen als vorm van oorlogvoering;

    • d.handhaving van de openbare orde, met inbegrip van de bestrijding van binnenlands oproer.

  • 10.Wordt onder „produktiecapaciteit” verstaan:

    de hoeveelheid van een specifieke stof die per jaar zou kunnen worden vervaardigd, gebaseerd op het technologische proces dat feitelijk wordt gebruikt of dat, indien het proces nog niet operationeel is, gebruikt zal worden in de desbetreffende inrichting. Deze wordt geacht gelijk te zijn aan de op het type-plaatje aangegeven capaciteit of, indien de op het type-plaatje aangegeven capaciteit niet bekend is, aan de ontwerpcapaciteit. De op het type-plaatje aangegeven capaciteit is de onder gunstige omstandigheden te bereiken maximale produktie van de produktie-inrichting, zoals aangetoond door middel van één of verscheidene malen proefdraaien. De ontwerpcapaciteit is de overeenkomstige theoretisch berekende produktie.

  • 11.Wordt onder „Organisatie” verstaan de Organisatie voor het verbod van chemische wapens, ingesteld ingevolge artikel VIII van dit Verdrag.

  • 12.Voor de toepassing van artikel VI wordt verstaan onder:

    • a.„produktie” van een stof, de vorming ervan door middel van een chemische reactie;

    • b.„be-/verwerking” van een stof, een fysisch proces, zoals de bereiding, extractie en zuivering, waarbij een stof niet wordt omgezet in een andere stof;

    • c.„verbruik” van een stof, de omzetting ervan in een andere stof door middel van een chemische reactie.

Artikel III. Opgaven

  • 1Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, de volgende opgaven in bij de Organisatie, waarin hij:

    • a.met betrekking tot chemische wapens:

      • i.opgeeft of hij chemische wapens in eigendom of bezit heeft, dan wel of zich chemische wapens bevinden op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht;

      • ii.de exacte plaats, totale hoeveelheid en gedetailleerde inventaris precies opgeeft van de chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft, of die zich bevinden op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, in overeenstemming met Afdeling IV (A), paragrafen 1 tot en met 3, van de Verificatiebijlage, behalve voor de chemische wapens bedoeld onder iii;

      • iii.Chemische wapens op zijn grondgebied meldt die het eigendom en bezit zijn van een andere Staat en die zich bevinden op een plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een andere Staat, overeenkomstig Afdeling IV (A), paragraaf 4, van de Verificatiebijlage;

      • iv.opgeeft of hij sedert 1 januari 1946 al dan niet rechtstreeks chemische wapens heeft overgedragen of ontvangen en de overdracht of ontvangst van deze wapens meldt overeenkomstig Afdeling IV (A), paragraaf 6, van de Verificatiebijlage;

      • v.zijn algemene plan verstrekt voor de vernietiging van chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft of die zich bevinden op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, overeenkomstig Afdeling IV (A), paragraaf 6, van de Verificatiebijlage;

    • b.met betrekking tot oude chemische wapens en achtergelaten chemische wapens:

      • i.opgeeft of hij op zijn grondgebied oude chemische wapens heeft en alle beschikbare informatie verstrekt overeenkomstig Afdeling IV (B), paragraaf 3, van de Verificatiebijlage;

      • ii.opgeeft of er achtergelaten chemische wapens op zijn grondgebied zijn en alle beschikbare informatie verstrekt overeenkomstig Afdeling IV (B), paragraaf 8, van de Verificatiebijlage;

      • iii.opgeeft of hij chemische wapens heeft achtergelaten op het grondgebied van andere Staten en alle beschikbare informatie verstrekt overeenkomstig Afdeling IV (B), paragraaf 10, van de Verificatiebijlage;

    • c.met betrekking tot inrichtingen voor de produktie van chemische wapens:

      • i.opgeeft of hij inrichtingen voor de produktie van chemische wapens in eigendom of bezit heeft of had, dan wel of deze zijn of waren gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht op enig tijdstip sedert 1 januari 1946;

      • ii.inrichtingen voor de produktie van chemische wapens precies opgeeft die hij in eigendom of bezit heeft of had, dan wel die zijn of waren gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, op enig tijdstip sedert 1 januari 1946, overeenkomstig Afdeling V, paragraaf 1, van de Verificatiebijlage, behalve de inrichtingen bedoeld onder iii;

      • iii.inrichtingen voor de produktie van chemische wapens op zijn grondgebied meldt die een andere Staat in eigendom en bezit heeft of had en die zijn of waren gelegen op een plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een andere Staat op enig tijdstip sedert 1 januari 1946, overeenkomstig Afdeling V, paragraaf 2, van de Verificatiebijlage;

      • iv.opgeeft of hij al dan niet rechtstreeks apparatuur voor de produktie van chemische wapens heeft overgedragen of ontvangen sedert 1 januari 1946 en de overdracht of ontvangst van zodanige apparatuur precies opgeeft, overeenkomstig Afdeling V, paragrafen 3 tot en met 5, van de Verificatiebijlage;

      • v.zijn algemene plan verstrekt voor de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft of die zijn gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, overeenkomstig Afdeling V, paragraaf 6, van de Verificatiebijlage;

      • vi.te nemen maatregelen precies aangeeft voor de sluiting van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft of die zijn gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, overeenkomstig Afdeling V, paragraaf 1, onder i, van de Verificatiebijlage;

      • vii.zijn algemene plan verstrekt voor de tijdelijke conversie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die hij in eigendom of bezit heeft, of die zijn gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, in een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens, overeenkomstig Afdeling V, paragraaf 7, van de Verificatiebijlage;

    • d.met betrekking tot andere inrichtingen:

      de precieze plaats, aard en algemene reikwijdte van de activiteiten precies aangeeft van inrichtingen of vestigingen in zijn eigendom of bezit, of gelegen op plaatsen onder zijn rechtsmacht of toezicht, die sedert 1 januari 1946 in de eerste plaats zijn ontworpen, gebouwd of gebruikt voor de ontwikkeling van chemische wapens. Deze opgave dient onder meer laboratoria en proef- en evaluatieterreinen te bevatten;

    • e.met betrekking tot oproerbestrijdingsmiddelen: de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service (CAS), indien toegekend, precies opgeeft voor elke stof die hij in bezit heeft voor de bestrijding van oproer. Deze opgave moet steeds worden bijgewerkt binnen uiterlijk 30 dagen nadat er veranderingen van kracht zijn geworden.

  • 2De bepalingen van dit artikel en de desbetreffende bepalingen van Afdeling IV van de Verificatiebijlage zijn niet van toepassing, zulks ter beoordeling van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, op chemische wapens die vóór 1 januari 1977 op zijn grondgebied zijn begraven en begraven blijven of die vóór 1 januari 1985 in zee zijn gestort.

Artikel IV. Chemische wapens

  • 1De bepalingen van dit artikel en de gedetailleerde procedures voor uitvoering daarvan zijn van toepassing op alle chemische wapens in eigendom of bezit van een Staat die Partij is bij dit Verdrag of gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, met uitzondering van oude chemische wapens en achtergelaten chemische wapens waarop Afdeling IV (B) van de Verificatiebijlage van toepassing is.

  • 2De gedetailleerde procedures voor de toepassing van dit artikel zijn vervat in de Verificatiebijlage.

  • 3Alle plaatsen waar chemische wapens als bedoeld in het eerste lid zijn opgeslagen of worden vernietigd, zijn onderworpen aan systematische verificatie door middel van inspectie en controle ter plaatse met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten overeenkomstig Afdeling IV (A) van de Verificatiebijlage.

  • 4Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag biedt, onmiddellijk nadat de opgave ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, is ingediend, toegang tot de in het eerste lid bedoelde chemische wapens met het oog op systematische verificatie van de opgave door middel van inspectie ter plaatse. Daarna mag een Staat die Partij is bij dit Verdrag deze chemische wapens niet verwijderen, behalve naar een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens. Hij biedt toegang tot deze chemische wapens met het oog op systematische verificatie ter plaatse.

  • 5Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag biedt toegang tot inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens en de opslagterreinen daarbij, die hij in eigendom of bezit heeft of die zijn gelegen op een plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, met het oog op de systematische verificatie ter plaatse door middel van inspectie en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten.

  • 6Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag vernietigt alle in het eerste lid bedoelde chemische wapens ingevolge de Verificatiebijlage en overeenkomstig het overeengekomen tempo en de overeengekomen volgorde van vernietiging (hierna te noemen de „volgorde van vernietiging”). Deze vernietiging begint uiterlijk twee jaar nadat dit Verdrag voor een Staat in werking is getreden en eindigt uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. Niets belet een Staat die Partij is bij dit Verdrag deze chemische wapens in een sneller tempo te vernietigen.

  • 7Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag:

    • a.dient gedetailleerde plannen in voor de vernietiging van de in het eerste lid bedoelde chemische wapens, zulks uiterlijk 60 dagen voor het begin van elke jaarlijkse vernietigingsperiode, overeenkomstig Afdeling IV (A), paragraaf 29, van de Verificatiebijlage; het gedetailleerde plan omvat alle voorraden die tijdens de komende jaarlijkse vernietigingsperiode zullen worden vernietigd;

    • b.dient jaarlijks opgaven in betreffende de uitvoering van zijn plannen voor de vernietiging van de in het eerste lid bedoelde chemische wapens, zulks uiterlijk 60 dagen na het einde van elke jaarlijkse vernietigingsperiode; en

    • c.bevestigt, uiterlijk 30 dagen nadat het vernietigingsproces is voltooid, dat alle in het eerste lid bedoelde chemische wapens zijn vernietigd.

  • 8Indien een Staat dit Verdrag bekrachtigt of daartoe toetreedt na de in het zesde lid bedoelde vernietigingsperiode van tien jaar, dient die Staat de in het eerste lid bedoelde chemische wapens zo spoedig mogelijk te vernietigen. De volgorde van vernietiging en de procedures voor de nauwgezette verificatie voor een zodanige Staat die Partij is bij dit Verdrag worden bepaald door de Uitvoerende Raad.

  • 9Chemische wapens die door een Staat die Partij is bij dit Verdrag worden ontdekt na de eerste opgave van chemische wapens dienen te worden gemeld, in veiligheid gebracht en vernietigd overeenkomstig Afdeling IV (A) van de Verificatiebijlage.

  • 10Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kent tijdens het vervoer, de bemonstering, de opslag en de vernietiging van chemische wapens de hoogste prioriteit toe aan het waarborgen van de veiligheid van mensen en het beschermen van het milieu. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag vervoert, bemonstert, bewaart en vernietigt chemische wapens overeenkomstig zijn nationale veiligheids- en emissienormen.

  • 11Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die op zijn grondgebied chemische wapens heeft die het eigendom of bezit zijn van een andere Staat of die zich bevinden op een plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een andere Staat, dient alles in het werk te stellen om te waarborgen dat deze chemische wapens van zijn grondgebied zijn verwijderd uiterlijk een jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden. Indien zij niet binnen een jaar zijn verwijderd, kan de Staat die Partij is bij dit Verdrag de Organisatie en andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verzoeken om hulp bij de vernietiging van deze chemische wapens.

  • 12Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich tot samenwerking met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die op bilaterale basis of via het Technisch Secretariaat verzoeken om informatie of hulp aangaande methoden en technologieën voor de veilige en efficiënte vernietiging van chemische wapens.

  • 13Bij het verrichten van de verificatie-activiteiten ingevolge dit artikel en Afdeling IV (A) van de Verificatiebijlage bestudeert de Organisatie maatregelen ter vermijding van onnodige overlapping van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag inzake verificatie van de opslag en vernietiging van chemische wapens.

    Hiertoe besluit de Uitvoerende Raad de verificatie te beperken tot maatregelen die een aanvulling vormen op die welke worden genomen ingevolge een zodanige bilaterale of multilaterale overeenkomst indien hij van oordeel is dat:

    • a.de verificatiebepalingen van een zodanige overeenkomst in overeenstemming zijn met de verificatiebepalingen van dit artikel en van Afdeling IV (A) van de Verificatiebijlage;

    • b.de toepassing van een zodanige overeenkomst voldoende zekerheid biedt voor naleving van de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag; en

    • c.de partijen bij de bilaterale of multilaterale overeenkomst de Organisatie volledig op de hoogte houden van hun verificatie-activiteiten.

  • 14Indien de Uitvoerende Raad een besluit ingevolge het dertiende lid neemt, heeft de Organisatie het recht toe te zien op de toepassing van de bilaterale of multilaterale overeenkomst.

  • 15Het dertiende en veertiende lid laten de verplichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag opgaven te verstrekken ingevolge artikel III, dit artikel en Afdeling IV (A) van de Verificatiebijlage, onverlet.

  • 16Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag draagt de kosten van de vernietiging van chemische wapens die hij verplicht is te vernietigen. Hij draagt ook de kosten van de verificatie van de opslag en vernietiging van deze chemische wapens, tenzij de Uitvoerende Raad anders besluit. Indien de Uitvoerende Raad besluit de verificatiemaatregelen van de Organisatie te beperken ingevolge het dertiende lid, worden de kosten van de door de Organisatie verrichte aanvullende verificatie en van haar toezicht betaald in overeenstemming met de verdeelsleutel van de Verenigde Naties als aangegeven in artikel VIII, zevende lid.

  • 17De bepalingen van dit artikel en de desbetreffende bepalingen van Afdeling IV van de Verificatiebijlage zijn niet van toepassing, zulks ter beoordeling van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, op chemische wapens die vóór 1 januari 1977 op zijn grondgebied zijn begraven en begraven blijven of die vóór 1 januari 1985 in zee zijn gestort.

Artikel V. Inrichtingen voor de produktie van chemische wapens

  • 1De bepalingen van dit artikel en de gedetailleerde procedures voor de uitvoering daarvan zijn van toepassing op alle inrichtingen voor de produktie van chemische wapens in eigendom of bezit van een Staat die Partij is bij dit Verdrag of gelegen op plaatsen onder zijn rechtsmacht of toezicht.

  • 2De gedetailleerde procedures voor de toepassing van dit artikel zijn vervat in de Verificatiebijlage.

  • 3Alle in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens zijn onderworpen aan systematische verificatie door middel van inspectie en controle ter plaatse met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten overeenkomstig Afdeling V van de Verificatiebijlage.

  • 4Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag beëindigt onmiddellijk alle activiteiten in de in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, met uitzondering van de voor sluiting vereiste activiteiten.

  • 5Geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag bouwt nieuwe inrichtingen voor de produktie van chemische wapens of wijzigt bestaande inrichtingen met het oog op de produktie van chemische wapens of andere ingevolge dit Verdrag verboden activiteiten.

  • 6Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag biedt, onmiddellijk nadat de opgave ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, is ingediend, toegang tot de in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens met het oog op systematische verificatie van de opgave door middel van inspectie ter plaatse.

  • 7Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag:

    • a.sluit uiterlijk 90 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden alle in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens overeenkomstig Afdeling V van de Verificatiebijlage en geeft daarvan kennis; en

    • b.biedt na de sluiting toegang tot de in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, met het oog op systematische verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, ten einde te waarborgen dat de inrichting gesloten blijft en vervolgens wordt vernietigd.

  • 8Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag vernietigt alle in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens en bijbehorende inrichtingen en apparatuur ingevolge de Verificatiebijlage en overeenkomstig een overeengekomen tempo en volgorde van vernietiging (hierna te noemen de „volgorde van vernietiging”). Deze vernietiging begint uiterlijk een jaar nadat dit Verdrag voor een Staat in werking is getreden en eindigt uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. Niets belet een Staat die Partij is bij dit Verdrag deze inrichtingen in een sneller tempo te vernietigen.

  • 9Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag:

    • a.dient gedetailleerde plannen in voor de vernietiging van de in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, zulks uiterlijk 180 dagen voor de vernietiging van elke inrichting begint;

    • b.dient jaarlijks opgaven in betreffende de uitvoering van zijn plannen voor de vernietiging van alle in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, zulks uiterlijk 90 dagen na het einde van elke jaarlijkse vernietigingsperiode; en

    • c.bevestigt, uiterlijk 30 dagen nadat het vernietigingsproces is voltooid, dat alle in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens zijn vernietigd.

  • 10Indien een Staat dit Verdrag bekrachtigt of daartoe toetreedt na de in het achtste lid bedoelde vernietigingsperiode van tien jaar, dient hij de in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens zo spoedig mogelijk te vernietigen. De volgorde van vernietiging en de procedures voor nauwgezette verificatie van een zodanige Staat die Partij is bij dit Verdrag worden bepaald door de Uitvoerende Raad.

  • 11Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kent tijdens de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens de hoogste prioriteit toe aan het waarborgen van de veiligheid van mensen en aan het beschermen van het milieu. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag vernietigt inrichtingen voor de produktie van chemische wapens overeenkomstig zijn nationale veiligheids- en emissienormen.

  • 12De in het eerste lid bedoelde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens kunnen tijdelijk worden geconverteerd ten behoeve van de vernietiging van chemische wapens overeenkomstig Afdeling V, paragrafen 18 tot en met 25, van de Verificatiebijlage. Een zodanige geconverteerde inrichting moet worden vernietigd zodra zij niet langer in gebruik is voor de vernietiging van chemische wapens, maar in elk geval uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag.

  • 13Een Staat die Partij is bij dit Verdrag kan, wanneer zulks in uitzonderlijke gevallen dringend noodzakelijk is, verzoeken om toestemming om een in het eerste lid bedoelde inrichting voor de produktie van chemische wapens te gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden. Op aanbeveling van de Uitvoerende Raad besluit de Conferentie van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dit verzoek al dan niet goed te keuren en stelt zij de voorwaarden waarvan de goedkeuring afhankelijk is overeenkomstig Afdeling V, Titel D, van de Verificatiebijlage.

  • 14De inrichting voor de produktie van chemische wapens wordt op zodanige wijze geconverteerd, dat de geconverteerde inrichting net zo min kan worden gereconverteerd in een inrichting voor de produktie van chemische wapens als een andere inrichting gebruikt voor onderzoeksdoeleinden, dan wel industriële, agrarische, medische, farmaceutische of andere vreedzame doeleinden waarbij de in Lijst 1 genoemde stoffen niet zijn betrokken.

  • 15Alle geconverteerde inrichtingen zijn onderworpen aan systematische verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten overeenkomstig Afdeling V, Titel D, van de Verificatiebijlage.

  • 16Bij het verrichten van de verificatie-activiteiten ingevolge dit artikel en Afdeling V van de Verificatiebijlage bestudeert de Organisatie maatregelen ter vermijding van onnodige overlapping van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag inzake de verificatie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens en de vernietiging daarvan.

    Hiertoe besluit de Uitvoerende Raad de verificatie te beperken tot maatregelen die een aanvulling vormen op die welke worden genomen ingevolge een zodanige bilaterale of multilaterale overeenkomst indien hij van oordeel is dat:

    • a.de verificatiebepalingen van een zodanige overeenkomst in overeenstemming zijn met de verificatiebepalingen van dit artikel en van Afdeling V van de Verificatiebijlage;

    • b.de toepassing van de overeenkomst voldoende zekerheid biedt voor de naleving van de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag; en

    • c.de partijen bij de bilaterale of multilaterale overeenkomst de Organisatie volledig op de hoogte houden van hun verificatiewerkzaamheden.

  • 17Indien de Uitvoerende Raad een besluit ingevolge het zestiende lid neemt, heeft de Organisatie het recht toe te zien op de toepassing van de bilaterale of multilaterale overeenkomst.

  • 18Het zestiende en zeventiende lid laten de verplichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag opgaven te verstrekken ingevolge artikel III, dit artikel en Afdeling V van de Verificatiebijlage, onverlet.

  • 19Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag draagt de kosten van de vernietiging van de inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die hij verplicht is te vernietigen. Hij draagt ook de kosten van de verificatie ingevolge dit artikel, tenzij de Uitvoerende Raad anders besluit. Indien de Uitvoerende Raad besluit de verificatiemaatregelen van de Organisatie te beperken ingevolge het zestiende lid, worden de kosten van de door de Organisatie verrichte aanvullende verificatie en van haar toezicht betaald in overeenstemming met de verdeelsleutel van de Verenigde Naties als aangegeven in artikel VIII, zevende lid.

Artikel VI. Ingevolge dit Verdrag niet verboden activiteiten

  • 1Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, behoudens de bepalingen van dit Verdrag, giftige stoffen en hun voorlopers te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, in bezit te houden, over te dragen en te gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

  • 2Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat giftige stoffen en hun voorlopers op zijn grondgebied of op een andere plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht slechts worden ontwikkeld, geproduceerd, anderszins verworven, in bezit gehouden, overgedragen of gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden. Hiertoe, en ten einde te verifiëren dat de activiteiten in overeenstemming zijn met de verplichtingen ingevolge dit Verdrag, onderwerpt elke Staat die Partij is bij dit Verdrag giftige stoffen en hun voorlopers genoemd in de Lijsten 1,2 en 3 van de Bijlage inzake stoffen, met die stoffen verband houdende inrichtingen en andere inrichtingen als bedoeld in de Verificatiebijlage, die zijn gelegen op zijn grondgebied of op een andere plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, aan verificatiemaatregelen als bedoeld in de Verificatiebijlage.

  • 3Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onderwerpt de stoffen genoemd in Lijst 1 (hierna te noemen de „stoffen van Lijst 1″) aan de verbodsbepalingen inzake produktie, verwerving, bezit, overdracht en gebruik bedoeld in Afdeling VI van de Verificatiebijlage. Hij onderwerpt de stoffen van Lijst 1 en de inrichtingen genoemd in Afdeling VI van de Verificatiebijlage aan systematische verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten overeenkomstig die Afdeling van de Verificatiebijlage.

  • 4Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onderwerpt de stoffen genoemd in Lijst 2 (hierna te noemen de „stoffen van Lijst 2″) en de inrichtingen genoemd in Afdeling VII van de Verificatiebijlage aan gegevenscontrole en verificatie ter plaatse overeenkomstig die Afdeling van de Verificatiebijlage.

  • 5Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onderwerpt de stoffen genoemd in Lijst 3 (hierna te noemen de „stoffen van Lijst 3″) en de inrichtingen genoemd in Afdeling VIII van de Verificatiebijlage aan gegevenscontrole en verificatie ter plaatse overeenkomstig die Afdeling van de Verificatiebijlage.

  • 6Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onderwerpt de inrichtingen genoemd in Afdeling IX van de Verificatiebijlage aan gegevenscontrole en eventuele verificatie ter plaatse overeenkomstig die Afdeling van de Verificatiebijlage tenzij ingevolge Afdeling IX, paragraaf 22, van de Verificatiebijlage door de Conferentie van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag anders wordt besloten.

  • 7Uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor een Staat in werking is getreden, doet elke Staat die Partij is bij dit Verdrag een eerste opgave inzake de desbetreffende stoffen en inrichtingen overeenkomstig de Verificatiebijlage.

  • 8Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag doet jaarlijkse opgaven inzake de desbetreffende stoffen en inrichtingen overeenkomstig de Verificatiebijlage.

  • 9Ten behoeve van de verificatie ter plaatse verleent elke Staat die Partij is bij dit Verdrag de inspecteurs toegang tot de inrichtingen zoals vereist in de Verificatiebijlage.

  • 10Bij het verrichten van verificatie-activiteiten vermijdt het Technisch Secretariaat onnodige inmenging in de chemische activiteiten van de Staat die Partij is bij dit Verdrag voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden en houdt het zich met name aan de bepalingen vervat in de Bijlage inzake de bescherming van vertrouwelijke informatie (hierna te noemen de „Vertrouwelijkheidsbijlage”).

  • 11De bepalingen van dit artikel dienen op zodanige wijze te worden toegepast dat belemmering van de economische of technologische ontwikkeling van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en van de internationale samenwerking op het terrein van chemische activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, met inbegrip van de internationale uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie en stoffen en apparatuur voor de produktie, de be-/verwerking of het gebruik van stoffen voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, wordt vermeden.

Artikel VII. Nationale uitvoeringsmaatregelen

Algemene verplichtingen

  • 1Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag neemt, overeenkomstig zijn constitutionele procedures, de nodige maatregelen ter nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag. Met name:

    • a.verbiedt hij natuurlijke personen en rechtspersonen, waar ook op zijn grondgebied of op een andere plaats onder zijn rechtsmacht als erkend door het internationale recht, het ondernemen van ingevolge dit Verdrag aan een Staat die Partij is bij dit Verdrag verboden activiteiten; daarbij inbegrepen het uitvaardigen van strafrechtelijke bepalingen ten aanzien van zodanige activiteiten;

    • b.staat hij op plaatsen onder zijn toezicht geen ingevolge dit Verdrag aan een Staat die Partij is bij dit Verdrag verboden activiteiten toe; en

    • c.strekt hij zijn ingevolge letter a uitgevaardigde strafrechtelijke bepalingen uit tot ingevolge dit Verdrag aan een Staat die Partij is bij dit Verdrag verboden activiteiten, waar ook ondernomen door natuurlijke personen die zijn nationaliteit bezitten, zulks in overeenstemming met het internationale recht.

  • 2Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag werkt samen met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en biedt de passende vorm van rechtshulp om de nakoming van de verplichtingen ingevolge het eerste lid te vergemakkelijken.

  • 3Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kent bij de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag de hoogste prioriteit toe aan het waarborgen van de veiligheid van mensen en het beschermen van het milieu en werkt in dit opzicht in voorkomend geval samen met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

Betrekkingen tussen de Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie

  • 4Ten einde zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag na te komen, wijst elke Staat die Partij is bij dit Verdrag een Nationale Autoriteit aan of stelt deze in als nationaal centraal punt voor het doeltreffend contact met de Organisatie en andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag deelt de Organisatie zijn Nationale Autoriteit mede op het tijdstip waarop dit Verdrag voor die Staat in werking treedt.

  • 5Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag stelt de Organisatie in kennis van de voor de toepassing van dit Verdrag genomen wetgevende en bestuurlijke maatregelen.

  • 6Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag behandelt informatie en gegevens die hij in vertrouwen van de Organisatie ontvangt in verband met de toepassing van dit Verdrag, vertrouwelijk en zorgvuldig. Hij hanteert zodanige informatie en gegevens uitsluitend in verband met zijn rechten en verplichtingen ingevolge dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen vervat in de Vertrouwelijkheidsbijlage.

  • 7Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich tot samenwerking met de Organisatie bij de uitoefening van al haar taken en met name tot het verlenen van bijstand aan het Technisch Secretariaat.

Artikel VIII. De Organisatie

A. ALGEMENE BEPALINGEN

  • 1De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, richten hierbij de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens op, die tot taak heeft voorwerp en doel van dit Verdrag te verwezenlijken, de toepassing van de bepalingen van het Verdrag, met inbegrip van die inzake de internationale verificatie van de naleving ervan, te waarborgen, en een forum te bieden voor overleg en samenwerking tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

  • 2Alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, zijn lid van de Organisatie. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag het lidmaatschap van de Organisatie niet worden ontnomen.

  • 3De Organisatie heeft haar zetel te ‘s-Gravenhage, Koninkrijk der Nederlanden.

  • 4Als organen van de Organisatie worden hierbij ingesteld: de Conferentie van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat.

  • 5De Organisatie verricht haar verificatie-activiteiten voorzien in dit Verdrag met de geringst mogelijke inmenging die verenigbaar is met de tijdige en efficiënte verwezenlijking van de doelstellingen daarvan. Zij verzoekt alleen om de informatie en gegevens die nodig zijn om zich te kunnen kwijten van haar verantwoordelijkheden ingevolge dit Verdrag. Zij neemt alle voorzorgsmaatregelen om de vertrouwelijkheid te beschermen van informatie inzake civiele en militaire activiteiten en inrichtingen die te harer kennis komt bij de toepassing van dit Verdrag en houdt zich met name aan de bepalingen vervat in de Vertrouwelijkheidsbijlage.

  • 6Bij het verrichten van haar verificatie-activiteiten overweegt de Organisatie maatregelen om gebruik te kunnen maken van de vooruitgang in wetenschap en technologie.

  • 7De kosten van de werkzaamheden van de Organisatie worden betaald door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag overeenkomstig de verdeelsleutel van de Verenigde Naties, aangepast om rekening te houden met het verschil in het aantal leden tussen de Verenigde Naties en deze Organisatie en met inachtneming van de bepalingen van de artikelen IV en V. De financiële bijdragen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag aan de Voorbereidende Commissie worden op passende wijze in mindering gebracht op hun bijdragen aan de gewone begroting. De begroting van de Organisatie omvat twee hoofdstukken, het ene betreffende de administratieve en overige kosten en het andere betreffende de kosten van verificatie.

  • 8Een lid van de Organisatie dat een achterstand heeft in de betaling van zijn financiële bijdrage aan de Organisatie heeft geen stem in de Organisatie indien het achterstallige bedrag gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de bijdrage die het lid verschuldigd is over de voorgaande twee volle jaren. De Conferentie van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kan zulk een lid niettemin toestaan zijn stem uit te brengen indien zij ervan overtuigd is dat het niet betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het lid geen invloed heeft.

B. DE CONFERENTIE VAN DE STATEN DIE PARTIJ ZIJN BIJ DIT VERDRAG

Samenstelling, procedures en besluitvorming

  • 9De Conferentie van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag (hierna te noemen „de Conferentie”) bestaat uit alle leden van deze Organisatie. Elk lid heeft één vertegenwoordiger in de Conferentie, die kan worden vergezeld door plaatsvervangers en adviseurs.

  • 10De eerste vergadering van de Conferentie wordt uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag belegd door de depositaris.

  • 11De Conferentie komt bijeen in gewone vergaderingen die jaarlijks worden gehouden, tenzij zij anders besluit.

  • 12Er worden buitengewone vergaderingen van de Conferentie belegd:

    • a.wanneer de Conferentie daartoe besluit;

    • b.wanneer de Uitvoerende Raad daarom verzoekt;

    • c.wanneer een lid daarom verzoekt en hierin door een derde van de leden wordt gesteund; of

    • d.overeenkomstig lid 22 ter toetsing van de werking van dit Verdrag.

    Behalve in het geval bedoeld in letter d, wordt de buitengewone vergadering belegd uiterlijk 30 dagen na de ontvangst van het verzoek door de Directeur-Generaal van het Technisch Secretariaat, tenzij in het verzoek anders is aangegeven.

  • 13De Conferentie wordt overeenkomstig artikel XV, tweede lid, ook bijeengeroepen als Conferentie tot wijziging van het Verdrag.

  • 14De vergaderingen van de Conferentie worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Organisatie, tenzij de Conferentie anders besluit.

  • 15De Conferentie stelt haar eigen procedureregels vast. Aan het begin van elke gewone vergadering kiest zij haar Voorzitter en de eventueel noodzakelijke andere functionarissen. Dezen bekleden hun ambt totdat op de volgende gewone vergadering een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen worden gekozen.

  • 16Een meerderheid van de leden van de Organisatie vormt een quorum voor de Conferentie.

  • 17Elk lid van de Organisatie heeft één stem in de Conferentie.

  • 18De Conferentie neemt besluiten inzake procedurevraagstukken met een eenvoudige meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Besluiten over inhoudelijke aangelegenheden dienen voor zover mogelijk bij consensus te worden genomen. Indien geen consensus kan worden bereikt wanneer over een aangelegenheid moet worden beslist, stelt de Voorzitter de stemming 24 uur uit en doet hij tijdens deze periode van uitstel alles wat in zijn vermogen ligt om het bereiken van consensus te vergemakkelijken, en brengt hij vóór het einde van deze periode verslag uit aan de Conferentie. Indien aan het einde van deze 24 uur geen consensus mogelijk is, neemt de Conferentie het besluit met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald. Wanneer de vraag rijst of de aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt die aangelegenheid als een inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Conferentie anders besluit met de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.

Bevoegdheden en taken

  • 19De Conferentie is het voornaamste orgaan van de Organisatie. Zij bestudeert alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag, met inbegrip van die betreffende de bevoegdheden en taken van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat. Zij kan aanbevelingen doen en besluiten nemen inzake alle kwesties, aangelegenheden of onderwerpen die samenhangen met dit Verdrag en ter tafel worden gebracht door een Staat die Partij is bij dit Verdrag of onder haar aandacht worden gebracht door de Uitvoerende Raad.

  • 20De Conferentie ziet toe op de toepassing van dit Verdrag en bevordert de verwezenlijking van zijn voorwerp en doel. De Conferentie toetst de naleving van dit Verdrag. Zij ziet ook toe op de werkzaamheden van de Uitvoerende Raad en het Technisch Secretariaat en kan deze voor de uitoefening van hun taken richtlijnen verstrekken overeenkomstig dit Verdrag.

  • 21De Conferentie:

    • a.bestudeert en aanvaardt tijdens haar gewone vergaderingen het verslag, het programma en de begroting van de Organisatie, ingediend door de Uitvoerende Raad, en bestudeert tevens andere verslagen;

    • b.besluit over de verdeelsleutel van de financiële bijdragen die de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag overeenkomstig het zevende lid moeten betalen;

    • c.kiest de leden van de Uitvoerende Raad;

    • d.benoemt de Directeur-Generaal van het Technisch Secretariaat (hierna te noemen „de Directeur-Generaal”);

    • e.hecht haar goedkeuring aan de door de Uitvoerende Raad voor te leggen procedureregels van de Uitvoerende Raad;

    • f.stelt de ondergeschikte organen in die zij nodig acht voor de vervulling van haar taken overeenkomstig dit Verdrag;

    • g.bevordert de internationale samenwerking voor vreedzame doeleinden ter zake van activiteiten op chemisch gebied;

    • h.beziet de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen die de werking van dit Verdrag zouden kunnen beïnvloeden en draagt in dit verband de Directeur-Generaal op een Wetenschappelijke Adviesraad in te stellen, opdat hij bij de vervulling van zijn taken gespecialiseerde adviezen op voor dit Verdrag relevante terreinen van wetenschap en technologie kan verstrekken aan de Conferentie, de Uitvoerende Raad of de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. De Wetenschappelijke Adviesraad wordt samengesteld uit onafhankelijke deskundigen die overeenkomstig door de Conferentie aangenomen regels worden benoemd;

    • i.bestudeert op haar eerste vergadering de door de Voorbereidende Commissie opgestelde ontwerp-overeenkomsten, bepalingen en richtlijnen, en keurt deze goed;

    • j.stelt op haar eerste vergadering het vrijwillige bijstandsfonds overeenkomstig artikel X in;

    • k.neemt de nodige maatregelen om toe te zien op de naleving van dit Verdrag en situaties die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag recht te zetten en daaraan een einde te maken overeenkomstig artikel XII.

  • 22De Conferentie komt uiterlijk een jaar na het verstrijken van het vijfde en het tiende jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, en op andere tijdstippen binnen dat tijdvak waartoe wordt besloten, bijeen in een bijzondere vergadering ter toetsing van de werking van dit Verdrag. Bij deze toetsingen wordt rekening gehouden met relevante wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Daarna wordt, tenzij anderszins besloten, telkens met tussenpozen van vijfjaar een vergadering van de Conferentie belegd met hetzelfde doel.

C. DE UITVOERENDE RAAD

Samenstelling, procedure en besluitvorming

  • 23De Uitvoerende Raad bestaat uit 41 leden. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, volgens het rouleringsbeginsel, zitting te hebben in de Uitvoerende Raad. De leden van de Uitvoerende Raad worden door de Conferentie gekozen voor een termijn van twee jaar. Teneinde het doeltreffend functioneren van dit Verdrag te verzekeren, wordt de Uitvoerende Raad, daarbij in het bijzonder een billijke geografische verdeling, het belang van de chemische industrie, alsook politieke belangen en veiligheidsbelangen in aanmerking nemend, als volgt samengesteld:

    • a.negen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag uit Afrika, aan te wijzen door de in deze regio gelegen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat in de regel drie van deze negen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Staten zijn met de belangrijkste nationale chemische industrie in de regio, als vastgesteld aan de hand van internationaal gerapporteerde en gepubliceerde gegevens; daarnaast dient de regionale groep overeen te komen dat bij de aanwijzing van deze drie leden ook andere regionale factoren in aanmerking worden genomen;

    • b.negen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag uit Azië, aan te wijzen door de in deze regio gelegen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat in de regel vier van deze negen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Staten zijn met de belangrijkste nationale chemische industrie in de regio, als vastgesteld aan de hand van internationaal gerapporteerde en gepubliceerde gegevens; daarnaast dient de regionale groep overeen te komen dat bij de aanwijzing van deze vier leden ook andere regionale factoren in aanmerking worden genomen;

    • c.vijf Staten die Partij zijn bij dit Verdrag uit Oost-Europa, aan te wijzen door de in deze regio gelegen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat in de regel één van deze vijf Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Staat is met de belangrijkste nationale chemische industrie in de regio, als vastgesteld aan de hand van internationaal gerapporteerde en gepubliceerde gegevens; daarnaast dient de regionale groep overeen te komen dat bij de aanwijzing van dat lid ook andere regionale factoren in aanmerking worden genomen;

    • d.zeven Staten die Partij zijn bij dit Verdrag uit Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, aan te wijzen door de in deze regio gelegen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat in de regel drie van deze zeven Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Staten zijn met de belangrijkste nationale chemische industrie in de regio, als vastgesteld aan de hand van internationaal gerapporteerde en gepubliceerde gegevens; daarnaast dient de regionale groep overeen te komen dat bij de aanwijzing van deze drie leden ook andere regionale factoren in aanmerking worden genomen;

    • e.tien Staten die Partij zijn bij dit Verdrag uit de Westeuropese en andere Staten, aan te wijzen door de in deze regio gelegen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat in de regel vijf van deze tien Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Staten zijn met de belangrijkste nationale chemische industrie in de regio, als vastgesteld aan de hand van internationaal gerapporteerde en gepubliceerde gegevens; daarnaast dient de regionale groep overeen te komen dat bij de aanwijzing van deze vijf leden ook andere regionale factoren in aanmerking worden genomen;

    • f.Nog één Staat die Partij is bij dit Verdrag, achtereenvolgens aan te wijzen door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag gelegen in de regio’s Azië en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. Als uitgangspunt voor deze aanwijzing wordt overeengekomen dat deze Staat die Partij is bij dit Verdrag roulerend lid uit deze regio’s is.

  • 24Bij de eerste verkiezing van de Uitvoerende Raad worden 20 leden gekozen voor een termijn van een jaar, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de lid 23 beschreven getalsverhoudingen.

  • 25Nadat volledige uitvoering is gegeven aan de artikelen IV en V, kan de Conferentie, op verzoek van een meerderheid van de leden van de Uitvoerende Raad, de samenstelling van de Uitvoerende Raad opnieuw bezien, rekening houdend met ontwikkelingen verband houdend met de in lid 23 vervatte beginselen die aan de samenstelling van de Raad ten grondslag liggen.

  • 26De Uitvoerende Raad stelt zijn procedureregels op en legt deze ter goedkeuring voor aan de Conferentie.

  • 27De Uitvoerende Raad kiest zijn voorzitter uit zijn leden.

  • 28De Uitvoerende Raad komt in gewone vergaderingen bijeen. Tussen de gewone vergaderingen in komt hij zo vaak bijeen als nodig is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden en taken.

  • 29Elk lid van de Uitvoerende Raad heeft één stem. De Uitvoerende Raad neemt besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden met een meerderheid van tweederde van alle leden, tenzij in dit Verdrag anders is aangegeven. De Uitvoerende Raad neemt besluiten inzake procedurevraagstukken met een eenvoudige meerderheid van alle leden. Wanneer de vraag rijst of de aangelegenheid al dan niet van inhoudelijke aard is, wordt de zaak als inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Uitvoerende Raad anders besluit met de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.

Bevoegdheden en taken

  • 30De Uitvoerende Raad is het uitvoerend orgaan van de Organisatie. Hij is de Conferentie verantwoording verschuldigd. De Uitvoerende Raad oefent de bevoegdheden en taken uit die hem ingevolge dit Verdrag zijn opgedragen, alsook de taken die de Conferentie aan de Raad overdraagt. Hierbij handelt hij in overeenstemming met de aanbevelingen, besluiten en richtlijnen van de Conferentie en ziet hij toe op de goede en voortdurende toepassing daarvan.

  • 31De Uitvoerende Raad bevordert de doeltreffende toepassing en de naleving van dit Verdrag. Hij houdt toezicht op de werkzaamheden van het Technisch Secretariaat, werkt samen met de Nationale Autoriteit van elke Staat die Partij is bij dit Verdrag en vergemakkelijkt, op hun verzoek, het overleg en de samenwerking tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

  • 32De Uitvoerende Raad:

    • a.bestudeert het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie en legt deze voor aan de Conferentie;

    • b.bestudeert het ontwerp-verslag van de Organisatie inzake de toepassing van dit Verdrag, het verslag inzake de verrichting van zijn eigen werkzaamheden en de bijzondere verslagen die hij nodig acht of waarom de Conferentie verzoekt, en legt deze voor aan de Conferentie;

    • c.treft regelingen voor de vergaderingen van de Conferentie, waaronder de opstelling van de ontwerp-agenda.

  • 33De Uitvoerende Raad kan verzoeken een bijzondere vergadering van de Conferentie te beleggen.

  • 34De Uitvoerende Raad:

    • a.sluit overeenkomsten of treft regelingen met Staten en internationale organisaties namens de Organisatie, zulks na voorafgaande goedkeuring door de Conferentie;

    • b.sluit overeenkomsten met Staten die Partij zijn bij dit Verdrag namens de Organisatie in verband met artikel X en houdt toezicht op het vrijwillige fonds bedoeld in artikel X;

    • c.hecht zijn goedkeuring aan overeenkomsten of regelingen betreffende de verrichting van verificatie-activiteiten, waarover door het Technisch Secretariaat met Staten die Partij zijn bij dit Verdrag is onderhandeld.

  • 35De Uitvoerende Raad bestudeert alle onder zijn bevoegdheid vallende onderwerpen of aangelegenheden die dit Verdrag en de toepassing ervan raken, met inbegrip van bezorgdheid over de naleving en gevallen van niet-naleving, en stelt, indien passend, de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis en brengt het onderwerp of de aangelegenheid onder de aandacht van de Conferentie.

  • 36Bij de bestudering van twijfels of bezorgdheid over de naleving en van gevallen van niet-naleving, met inbegrip van, onder andere, misbruik van de ingevolge dit Verdrag omschreven rechten, pleegt de Uitvoerende Raad overleg met de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en verzoekt, indien passend, de Staat die Partij is bij dit Verdrag maatregelen te nemen om de situatie binnen een aangegeven termijn recht te zetten. Voor zover de Uitvoerende Raad verdere maatregelen nodig acht, neemt hij, onder andere, een of meer van de onderstaande maatregelen:

    • a.hij stelt alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van het onderwerp of de aangelegenheid in kennis;

    • b.hij brengt het onderwerp of de aangelegenheid onder de aandacht van de Conferentie;

    • c.hij doet de Conferentie aanbevelingen betreffende maatregelen om de situatie recht te zetten en de naleving te verzekeren.

    In bijzonder ernstige en dringende gevallen brengt de Uitvoerende Raad het onderwerp of de aangelegenheid, met inbegrip van de desbetreffende informatie en conclusies, rechtstreeks onder de aandacht van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Tegelijkertijd stelt hij alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van deze stap in kennis.

D. HET TECHNISCH SECRETARIAAT

  • 37Het Technisch Secretariaat staat de Conferentie en de Uitvoerende Raad bij in de uitoefening van hun taken. Het Technisch Secretariaat voert de in dit Verdrag bepaalde verificatiemaatregelen uit. Het verricht de andere hem ingevolge dit Verdrag opgedragen taken alsook de taken die door de Conferentie en de Uitvoerende Raad aan hem zijn overgedragen.

  • 38Het Technisch Secretariaat:

    • a.stelt het ontwerp-programma en de ontwerp-begroting van de Organisatie op en legt deze voor aan de Uitvoerende Raad;

    • b.stelt het ontwerp-verslag van de Organisatie inzake de toepassing van dit Verdrag en de andere verslagen waarom de Conferentie of de Uitvoerende Raad verzoekt, op en legt deze voor aan de Uitvoerende Raad;

    • c.voorziet in de administratieve en technische ondersteuning van de Conferentie, de Uitvoerende Raad en ondergeschikte organen;

    • d.verzendt en ontvangt namens de Organisatie mededelingen aan en van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag inzake aangelegenheden betreffende de toepassing van dit Verdrag;

    • e.zorgt voor technische bijstand en technische evaluatie ten behoeve van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bij de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, met inbegrip van de evaluatie van wel en niet in de Lijsten opgenomen stoffen.

  • 39Het Technisch Secretariaat:

    • a.onderhandelt over overeenkomsten of regelingen betreffende de verrichting van verificatie-activiteiten met Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, zulks na goedkeuring door de Uitvoerende Raad;

    • b.coördineert uiterlijk 180 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag de vorming en instandhouding van permanente voorraden voor de verlening van noodhulp en humanitaire hulp door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag overeenkomstig artikel X, zevende lid, letters b en c. Het Technisch Secretariaat kan de opgeslagen goederen controleren op bruikbaarheid. De lijsten van de in voorraad te houden goederen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge lid 21, letter i;

    • c.beheert het in artikel X bedoelde vrijwillige fonds, verzamelt de door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekte opgaven en registreert, op verzoek, de voor de toepassing van artikel X tussen Staten die Partij zijn bij dit Verdrag of tussen een Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie gesloten bilaterale overeenkomsten.

  • 40Het Technisch Secretariaat stelt de Uitvoerende Raad in kennis van problemen die zich voordoen met betrekking tot de vervulling van zijn taken, met inbegrip van twijfels, dubbelzinnigheden of onduidelijkheden over de naleving van dit Verdrag die te zijner kennis zijn gekomen bij het verrichten van zijn verificatie-activiteiten en die het niet door middel van overleg met de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft kunnen oplossen of ophelderen.

  • 41Het Technisch Secretariaat bestaat uit een Directeur-Generaal, die het hoofd en de hoogste bestuursfunctionaris is, inspecteurs en het vereiste wetenschappelijke, technische en overige personeel.

  • 42De Inspectie is een eenheid binnen het Technisch Secretariaat en handelt onder toezicht van de Directeur-Generaal.

  • 43De Directeur-Generaal wordt op aanbeveling van de Uitvoerende Raad door de Conferentie benoemd voor een termijn van vier jaar, die slechts eenmaal kan worden verlengd.

  • 44De Directeur-Generaal is verantwoording verschuldigd jegens de Conferentie en de Uitvoerende Raad voor de aanstelling van het personeel en voor de organisatie en het functioneren van het Technisch Secretariaat. De voornaamste overweging bij de werving van het personeel en de bepaling van de arbeidsvoorwaarden is de noodzaak te voldoen aan de hoogste normen voor efficiëntie, bekwaamheid en integriteit. Alleen onderdanen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kunnen een functie bekleden als Directeur-Generaal, inspecteur of lid van het technische/wetenschappelijke en administratieve personeel. Er dient naar behoren aandacht te worden besteed aan het belang van een zo ruim mogelijke geografische spreiding bij de werving van personeel. Het leidende beginsel bij de werving van personeel is dat het personeelsbestand dient te worden beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de goede vervulling van de taken van het Technisch Secretariaat.

  • 45De Directeur-Generaal is verantwoordelijk voor de organisatie en het functioneren van de Wetenschappelijke Adviesraad bedoeld in lid 21, letter h. De Directeur-Generaal benoemt in overleg met de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de leden van de Wetenschappelijke Adviesraad, die op persoonlijke titel daarin zitting hebben. De leden van de Raad worden benoemd op basis van hun deskundigheid op de terreinen van wetenschap die relevant zijn voor de toepassing van dit Verdrag. De Directeur-Generaal kan tevens, indien passend, in overleg met leden van de Raad tijdelijke werkgroepen van wetenschappelijke deskundigen instellen die aanbevelingen over specifieke kwesties kunnen uitbrengen. In dit verband kunnen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag lijsten van deskundigen aan de Directeur-Generaal voorleggen.

  • 46Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Directeur-Generaal, de inspecteurs en de andere leden van het personeel instructies van een Regering of van andere instanties buiten de Organisatie. Zij onthouden zich van elk optreden dat afbreuk zou kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen aan de Conferentie en de Uitvoerende Raad verantwoording verschuldigd zijn.

  • 47Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag eerbiedigt de uitsluitend internationale aard van de verantwoordelijkheden van de Directeur-Generaal, de inspecteurs en andere leden van het personeel en poogt niet dezen te beïnvloeden in de vervulling van hun taken.

E. VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

  • 48De Organisatie geniet op het grondgebied en op alle andere plaatsen onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag de rechtsbevoegdheid en de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de uitoefening van haar taken.

  • 49De afgevaardigden van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag alsmede hun plaatsvervangers en adviseurs, de in de Uitvoerende Raad benoemde vertegenwoordigers alsmede hun plaatsvervangers en adviseurs, de Directeur-Generaal en het personeel van de Organisatie genieten de voorrechten en immuniteiten die vereist zijn voor de onafhankelijke uitoefening van hun taken in verband met de Organisatie.

  • 50De rechtsbevoegdheid, de voorrechten en de immuniteiten bedoeld in dit artikel worden omschreven in overeenkomsten tussen de Organisatie en de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag alsook in een overeenkomst tussen de Organisatie en de Staat waar de Organisatie haar zetel heeft. Deze overeenkomsten worden door de Conferentie bestudeerd en goedgekeurd ingevolge lid 21, letter i.

  • 51Onverminderd het bepaalde in de leden 48 en 49 genieten de Directeur-Generaal en het personeel van het Technisch Secretariaat bij het verrichten van verificatie-activiteiten de voorrechten en immuniteiten die zijn vervat in Afdeling II, Titel B, van de Verificatiebijlage.

Artikel IX. Overleg, samenwerking en vaststelling van de feiten

  • 1De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag plegen overleg en werken samen, rechtstreeks onderling dan wel via de Organisatie of door middel van andere passende internationale procedures, met inbegrip van procedures in het kader van de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest, met betrekking tot aangelegenheden die ter tafel worden gebracht betreffende voorwerp en doel of de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.

  • 2Onverminderd het recht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag om te verzoeken om een uitdagingsinspectie, dienen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, wanneer mogelijk, eerst alles in het werk te stellen om een aangelegenheid die twijfel kan doen rijzen omtrent de naleving van dit Verdrag, of die aanleiding geeft tot bezorgdheid over een daarmee samenhangende aangelegenheid die dubbelzinnig kan worden geacht, op te helderen en op te lossen, door middel van uitwisseling van informatie en onderling overleg. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag een verzoek om opheldering ontvangt betreffende een aangelegenheid die naar de mening van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zulk een twijfel of bezorgdheid doet ontstaan, verstrekt de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zo spoedig mogelijk, doch in elk geval uiterlijk 10 dagen na het verzoek, voldoende informatie om de naar voren gebrachte twijfel of bezorgdheid weg te nemen, tezamen met een toelichting hoe de verstrekte informatie de aangelegenheid oplost. Geen enkele bepaling in dit Verdrag doet afbreuk aan het recht van twee of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag om in onderlinge overeenstemming inspecties of andere procedures tussen henzelf te regelen ter opheldering en oplossing van een aangelegenheid die twijfel kan doen ontstaan omtrent de naleving of aanleiding geeft tot bezorgdheid omtrent een daarmee samenhangende aangelegenheid die dubbelzinnig kan worden geacht. Deze regelingen laten de rechten en plichten van een Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge andere bepalingen van dit Verdrag onverlet.

Procedure voor het verzoeken om opheldering

  • 3Een Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken om bijstand bij het ophelderen van een situatie die dubbelzinnig kan worden geacht of die aanleiding geeft tot bezorgdheid over de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag door een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag. De Uitvoerende Raad verschaft de passende informatie waarover hij beschikt met betrekking tot een zodanige bezorgdheid.

  • 4Een Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken opheldering van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag te verkrijgen omtrent een situatie die dubbelzinnig kan worden geacht of die aanleiding geeft tot bezorgdheid over zijn mogelijke niet-naleving van dit Verdrag. In dat geval is het onderstaande van toepassing:

    • a.de Uitvoerende Raad zendt het verzoek om opheldering uiterlijk 24 uur na ontvangst via de Directeur-Generaal toe aan de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag;

    • b.de Staat die Partij is bij dit Verdrag tot wie het verzoek is gericht, verschaft zo spoedig mogelijk, doch in elk geval uiterlijk 10 dagen na ontvangst van het verzoek, opheldering aan de Uitvoerende Raad;

    • c.de Uitvoerende Raad neemt kennis van de opheldering en zendt deze uiterlijk 24 uur na ontvangst toe aan de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag;

    • d.indien de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag de opheldering onvoldoende acht, heeft hij het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken nadere opheldering te verkrijgen van de Staat die Partij is bij dit Verdrag tot wie het verzoek is gericht;

    • e.voor de verkrijging van nadere opheldering, verzocht ingevolge letter d, kan de Uitvoerende Raad de Directeur-Generaal verzoeken een groep in te stellen van deskundigen van het Technisch Secretariaat of, indien daarvoor binnen het Technisch Secretariaat geen passend personeel beschikbaar is, deskundigen van elders, om alle beschikbare informatie en gegevens betreffende de tot bezorgdheid aanleiding gevende situatie te onderzoeken. De groep deskundigen legt aan de Uitvoerende Raad een verslag voor inzake haar bevindingen betreffende de feiten;

    • f.indien de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag de ingevolge de letters d en e verkregen opheldering onbevredigend acht, heeft hij het recht te verzoeken om een bijzondere vergadering van de Uitvoerende Raad, waaraan de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die geen lid van de Uitvoerende Raad zijn, kunnen deelnemen. Op een zodanige bijzondere vergadering bestudeert de Uitvoerende Raad de aangelegenheid en kan hij de door hem passend geachte maatregelen aanbevelen om de situatie op te lossen.

  • 5Een Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft ook het recht de Uitvoerende Raad te verzoeken om opheldering van een situatie die dubbelzinnig wordt geacht of aanleiding heeft gegeven tot bezorgdheid omtrent zijn mogelijke niet-naleving van dit Verdrag. De Uitvoerende Raad reageert door passende bijstand te verlenen.

  • 6De Uitvoerende Raad stelt de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van de in dit artikel genoemde verzoeken om opheldering.

  • 7Indien de twijfel of bezorgdheid van een Staat die Partij is bij dit Verdrag over een mogelijke niet-naleving niet is weggenomen binnen 60 dagen na de indiening van het verzoek om opheldering bij de Uitvoerende Raad, of indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag meent dat zijn twijfel dringend bestudering vereist, niettegenstaande zijn recht om te verzoeken om een uitdagingsinspectie, kan hij verzoeken om een bijzondere vergadering van de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, twaalfde lid, letter c. Op een zodanige bijzondere vergadering bestudeert de Conferentie de aangelegenheid en kan zij de door haar passend geachte maatregelen aanbevelen om de situatie op te lossen.

Procedures voor uitdagingsinspecties

  • 8Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht te verzoeken om een uitdagingsinspectie ter plaatse van inrichtingen of plaatsen op het grondgebied of op een andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag met als uitsluitend doel vragen betreffende mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag op te helderen en op te lossen, en om deze inspectie onverwijld waar dan ook te laten verrichten door een inspectieteam aangewezen door de Directeur-Generaal en overeenkomstig de Verificatiebijlage.

  • 9Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag is verplicht het verzoek om inspectie binnen de werkingssfeer van dit Verdrag te houden en in het verzoek om inspectie alle passende informatie te verstrekken op grond waarvan bezorgdheid is ontstaan betreffende mogelijke niet-naleving van dit Verdrag, zoals genoemd in de Verificatiebijlage. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag onthoudt zich van ongefundeerde verzoeken om inspectie, ten einde misbruik te vermijden. De uitdagingsinspectie wordt verricht met als uitsluitend doel het vaststellen van de feiten betreffende de mogelijke niet-naleving.

  • 10Voor de verificatie van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag staat elke Staat die Partij is bij dit Verdrag het Technisch Secretariaat toe de uitdagingsinspectie ter plaatse te verrichten ingevolge het achtste lid.

  • 11Ingevolge een verzoek om een uitdagingsinspectie van een inrichting of plaats en overeenkomstig de in de Verificatiebijlage bepaalde procedures heeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag:

    • a.het recht en de plicht naar redelijkheid alles in het werk te stellen om zijn naleving van dit Verdrag aan te tonen en hiertoe het inspectieteam in staat te stellen zijn opdracht te vervullen;

    • b.de plicht toegang te verlenen tot de plaats waarop het verzoek betrekking heeft met als uitsluitend doel het vaststellen van feiten die van belang zijn voor de bezorgdheid omtrent mogelijke niet-naleving; en

    • c.het recht maatregelen te nemen om gevoelige inrichtingen te beschermen en openbaarmaking te voorkomen van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen betrekking hebben op dit Verdrag.

  • 12Met betrekking tot een waarnemer is het onderstaande van toepassing:

    • a.de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag kan, mits de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt, een vertegenwoordiger zenden die onderdaan is van hetzij de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, hetzij een derde Staat die Partij is bij dit Verdrag, om het verrichten van de uitdagingsinspectie gade te slaan;

    • b.de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verleent de waarnemer dan toegang in overeenstemming met de Verificatiebijlage;

    • c.de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag aanvaardt gewoonlijk de voorgestelde waarnemer, maar indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag gebruik maakt van zijn recht tot weigering, wordt dit feit vermeld in het eindverslag.

  • 13De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag dient een verzoek om een uitdagingsinspectie ter plaatse in bij de Uitvoerende Raad en tegelijkertijd bij de Directeur-Generaal ter onmiddellijke behandeling.

  • 14De Directeur-Generaal vergewist zich er onmiddellijk van of het verzoek om inspectie voldoet aan de eisen neergelegd in Afdeling X, paragraaf 4, van de Verificatiebijlage en staat indien nodig de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag bij met het op de voorgeschreven wijze indienen van het verzoek. Wanneer het verzoek om inspectie aan de eisen voldoet, wordt begonnen met de voorbereiding van de uitdagingsinspectie.

  • 15De Directeur-Generaal zendt het verzoek om inspectie uiterlijk 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst toe aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

  • 16Na ontvangst van het verzoek om inspectie neemt de Uitvoerende Raad kennis van de maatregelen van de Directeur-Generaal naar aanleiding van het verzoek en blijft hij gedurende de inspectieprocedure de zaak volgen. Zijn besprekingen mogen het inspectieproces evenwel niet vertragen.

  • 17De Uitvoerende Raad kan uiterlijk 12 uur na ontvangst van het verzoek om inspectie met een meerderheid van drievierde van alle leden besluiten de uitdagingsinspectie niet te doen verrichten, indien hij van mening is dat het verzoek om inspectie lichtvaardig is of op misbruik berust dan wel duidelijk valt buiten de werkingssfeer van dit Verdrag als beschreven in het achtste lid. De verzoekende noch de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag mogen aan een zodanig besluit deelnemen. Indien de Uitvoerende Raad zich tegen de uitdagingsinspectie uitspreekt, worden de voorbereidingen stopgezet, worden geen verdere maatregelen naar aanleiding van het verzoek om inspectie genomen en worden de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis gesteld.

  • 18De Directeur-Generaal verstrekt een inspectiemandaat voor het verrichten van de uitdagingsinspectie. Het inspectiemandaat bestaat uit het in het achtste en negende lid bedoelde verzoek om inspectie, verwoord in praktische instructies, en dient overeen te komen met het verzoek om inspectie.

  • 19De uitdagingsinspectie wordt verricht overeenkomstig Afdeling X of, in geval van vermeend gebruik, overeenkomstig Afdeling XI van de Verificatie-bijlage. Het inspectieteam wordt geleid door het beginsel dat de uitdagingsinspectie moet worden verricht op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze, die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige vervulling van zijn opdracht.

  • 20De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag staat het inspectieteam gedurende de uitdagingsinspectie bij en vergemakkelijkt zijn taak. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge Afdeling X, Titel C, van de Verificatiebijlage in plaats van volledige en alomvattende toegang regelingen voorstelt om de naleving van dit Verdrag aan te tonen, dient hij door middel van overleg met het inspectieteam, naar redelijkheid alles in het werk te stellen om overeenstemming te bereiken omtrent de modaliteiten voor het vaststellen van de feiten met het oog op het aantonen van zijn naleving.

  • 21Het eindverslag dient de feitelijke bevindingen te bevatten, alsmede een beoordeling door het inspectieteam van de mate en aard van de verleende toegang en medewerking ten behoeve van de bevredigende uitvoering van de uitdagingsinspectie. De Directeur-Generaal zendt het eindverslag van het inspectieteam onverwijld toe aan de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de Uitvoerende Raad en aan alle andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Voorts zendt de Directeur-Generaal de beoordelingen van de verzoekende en van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, alsmede de opvattingen van andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, die de Directeur-Generaal hiertoe ter kennis kunnen worden gebracht, onverwijld toe aan de Uitvoerende Raad, en verstrekt deze daarna aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

  • 22Overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken toetst de Uitvoerende Raad het eindverslag van het inspectieteam zodra het is voorgelegd en bespreekt hij de volgende punten:

    • a.of er sprake is van niet-naleving;

    • b.of het verzoek binnen de werkingssfeer van dit Verdrag is geweest; en

    • c.of er misbruik is gemaakt van het recht te verzoeken om een uitdagingsinspectie.

  • 23Indien de Uitvoerende Raad tot de conclusie komt, overeenkomstig zijn bevoegdheden en taken, dat verdere maatregelen nodig kunnen zijn met betrekking tot lid 22, neemt hij passende maatregelen om de situatie recht te zetten en naleving van dit Verdrag te waarborgen, met inbegrip van specifieke aanbevelingen aan de Conferentie. In geval van misbruik onderzoekt de Uitvoerende Raad of de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag al dan niet financiële gevolgen van de uitdagingsinspectie moet dragen.

  • 24De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag hebben het recht deel te nemen aan het toetsingsproces. De Uitvoerende Raad stelt de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de volgende vergadering van de Conferentie in kennis van het resultaat van de toetsing.

  • 25Indien de Uitvoerende Raad specifieke aanbevelingen aan de Conferentie heeft gedaan, overweegt de Conferentie maatregelen overeenkomstig artikel XII.

Artikel X. Bijstand en bescherming tegen chemische wapens

  • 1Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „bijstand” verstaan het coördineren en aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bieden van bescherming tegen chemische wapens, met inbegrip van onder meer het volgende: detectie-apparatuur en alarmsystemen, beschermende uitrusting, ontsmettingsapparatuur en ontsmettingsmiddelen, tegengif en medische behandeling, en advies inzake deze beschermende maatregelen.

  • 2Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat een Staat die Partij is bij dit Verdrag daardoor wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht onderzoek te verrichten naar middelen tot bescherming tegen chemische wapens, deze te ontwikkelen, te produceren, te verwerven, over te dragen of te gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

  • 3Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich ertoe de zo volledig mogelijke uitwisseling van uitrusting, materiaal en wetenschappelijke en technologische informatie betreffende middelen tot bescherming tegen chemische wapens te vergemakkelijken en heeft het recht aan die uitwisseling deel te nemen.

  • 4Ter vergroting van de doorzichtigheid van nationale programma’s met betrekking tot bescherming, dient elke Staat die Partij is bij dit Verdrag jaarlijks aan het Technisch Secretariaat informatie omtrent zijn programma te verstrekken overeenkomstig procedures die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i.

  • 5Uiterlijk 180 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag zet het Technisch Secretariaat een gegevensbestand op dat vrij beschikbare informatie bevat betreffende de verschillende middelen tot bescherming tegen chemische wapens, alsmede door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekte informatie, en houdt dit bij, ten behoeve van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die dit willen raadplegen.

    Het Technisch Secretariaat verstrekt tevens, binnen de grenzen van de hem ter beschikking staande middelen en op verzoek van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, deskundig advies en helpt de Staat die Partij is bij dit Verdrag na te gaan hoe zijn programma’s voor de ontwikkeling en verbetering van een vermogen tot bescherming tegen chemische wapens zouden kunnen worden uitgevoerd.

  • 6Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daardoor worden belemmerd in de uitoefening van hun recht bilateraal om bijstand te verzoeken en deze te verlenen, en afzonderlijke overeenkomsten te sluiten met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag betreffende het verkrijgen van bijstand in noodgevallen.

  • 7Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht zich tot het verlenen van bijstand via de Organisatie en hiertoe naar keuze een of meer van de onderstaande maatregelen te nemen:

    • a.het verstrekken van een bijdrage aan het vrijwillige bijstandsfonds dat tijdens haar eerste vergadering door de Conferentie zal worden ingesteld;

    • b.het sluiten, indien mogelijk uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, van overeenkomsten met de Organisatie betreffende het op verzoek leveren van bijstand;

    • c.het doen van een opgave, uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, van de soort bijstand die hij zou kunnen verlenen als de Organisatie daartoe een oproep doet. Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag echter vervolgens niet in staat is de in zijn opgave beoogde bijstand te verlenen, is hij nog altijd verplicht bijstand overeenkomstig dit lid te verlenen.

  • 8Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht te verzoeken om bijstand en bescherming tegen het gebruik of de dreiging met gebruik van chemische wapens en, met inachtneming van de procedures vervat in het negende, tiende en elfde lid deze te ontvangen, indien hij van oordeel is dat:

    • a.ertegen hem chemische wapens zijn gebruikt;

    • b.oproerbestrijdingsmiddelen tegen hem zijn gebruikt als een vorm van oorlogvoering;

    • c.hij wordt bedreigd met optreden of activiteiten van een Staat die in artikel I aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zijn verboden.

  • 9Het verzoek, gestaafd door relevante informatie, dient te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, die het onmiddellijk doorzendt naar de Uitvoerende Raad en naar alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. De Directeur-Generaal zendt het verzoek onmiddellijk door naar de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die overeenkomstig het zevende lid, letters b en c, hebben aangeboden uiterlijk 12 uur na ontvangst van het verzoek aan de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag noodhulp te zenden in geval van gebruik van chemische wapens of gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als een vorm van oorlogvoering, of humanitaire bijstand in geval van ernstige dreiging met het gebruik van chemische wapens of ernstige dreiging met gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als een vorm van oorlogvoering. De Directeur-Generaal stelt uiterlijk 24 uur na ontvangst van het verzoek een onderzoek in op grond waarvan verdere maatregelen kunnen worden genomen. Hij dient het onderzoek binnen 72 uur te voltooien en een verslag toe te zenden aan de Uitvoerende Raad. Indien er meer tijd nodig is om het onderzoek af te ronden, dient binnen de genoemde termijn een tussentijds verslag te worden ingediend. De benodigde extra tijd voor het onderzoek mag niet meer zijn dan 72 uur. Deze termijn kan evenwel worden verlengd met perioden van dezelfde duur. Aan het einde van elke periode van verlenging dient een verslag bij de Uitvoerende Raad te worden ingediend. Het onderzoek dient, indien passend en overeenkomstig het verzoek en de bij het verzoek gevoegde informatie, relevante feiten vast te stellen die betrekking hebben op het verzoek, alsmede de soort en de omvang van de vereiste aanvullende bijstand en bescherming aan te geven.

  • 10De Uitvoerende Raad komt uiterlijk 24 uur na ontvangst van een onderzoeksverslag bijeen om de situatie te bestuderen en besluit binnen de daaropvolgende 24 uur met eenvoudige meerderheid of het Technisch Secretariaat moet worden opgedragen de aanvullende bijstand te verlenen. Het Technisch Secretariaat zendt het onderzoeksverslag en het door de Uitvoerende Raad genomen besluit onmiddellijk toe aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de desbetreffende internationale organisaties. Wanneer de Uitvoerende Raad daartoe besluit, verleent de Directeur-Generaal onmiddellijk bijstand. Hiertoe kan de Directeur-Generaal samenwerken met de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, met andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en met de desbetreffende internationale organisaties. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dienen al het mogelijke in het werk te stellen om de bijstand te verlenen.

  • 11Indien de beschikbare informatie uit het lopende onderzoek of uit andere betrouwbare bronnen voldoende bewijs zou opleveren dat er slachtoffers zijn van het gebruik van chemische wapens en onmiddellijke maatregelen geboden zijn, stelt de Directeur-Generaal alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis en neemt hij maatregelen voor noodhulp met gebruikmaking van de middelen die de Conferentie hem voor zulke omstandigheden ter beschikking heeft gesteld. De Directeur-Generaal houdt de Uitvoerende Raad op de hoogte van op grond van dit lid genomen maatregelen.

Artikel XI. Economische en technologische ontwikkeling

  • 1De bepalingen van dit Verdrag dienen op zodanige wijze te worden toegepast dat belemmering van de economische of technologische ontwikkeling van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en van de internationale samenwerking op het terrein van chemische activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, met inbegrip van de internationale uitwisseling van wetenschappelijke en technische informatie en stoffen en apparatuur voor de produktie, de be-/verwerking of het gebruik van stoffen voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, wordt vermeden.

  • 2Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en onverminderd de beginselen en toepasselijke regels van het internationale recht:

    • a.hebben de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag het recht, afzonderlijk of gezamenlijk, onderzoek te verrichten naar stoffen en deze stoffen te ontwikkelen, te produceren, te verwerven, in bezit te houden, over te dragen en te gebruiken;

    • b.verplichten de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zich tot het vergemakkelijken van de zo volledig mogelijke uitwisseling van chemische stoffen, apparatuur en wetenschappelijke en technische informatie betreffende de ontwikkeling en toepassing van de chemie voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden en hebben zij het recht deel te nemen aan die uitwisseling;

    • c.handhaven de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag onderling geen beperkingen, met inbegrip van die in internationale overeenkomsten, die onverenigbaar zijn met de ingevolge dit Verdrag aangegane verplichtingen, die de handel in en de ontwikkeling en bevordering van wetenschappelijke en technologische kennis op het terrein van de chemie voor onderzoeksdoeleinden, dan wel industriële, agrarische, medische, farmaceutische of andere vreedzame doeleinden zouden beperken of belemmeren;

    • d.gebruiken de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dit Verdrag niet als voorwendsel voor het toepassen van andere dan de voorziene of ingevolge dit Verdrag toegestane maatregelen en gebruiken zij evenmin andere internationale overeenkomsten voor het nastreven van een met dit Verdrag onverenigbaar doel;

    • e.verplichten de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag zich tot bestudering van hun bestaande nationale voorschriften op het gebied van de handel in chemische stoffen ten einde deze in overeenstemming te brengen met voorwerp en doel van dit Verdrag.

Artikel XII. Maatregelen tot rechtzetting van een situatie en tot waarborging van de naleving van dit Verdrag, met inbegrip van sancties

  • 1De Conferentie neemt de nodige maatregelen, als vervat in het tweede, derde en vierde lid, om de naleving van dit Verdrag te waarborgen en situaties die strijdig zijn met de bepalingen van dit Verdrag recht te zetten en daaraan een einde te maken. Bij het overwegen van maatregelen op grond van dit lid houdt de Conferentie rekening met alle inzake deze kwesties door de Uitvoerende raad voorgelegde informatie en aanbevelingen.

  • 2In gevallen waarin een Staat die Partij is bij dit Verdrag door de Uitvoerende Raad is verzocht maatregelen te nemen tot rechtzetting van een situatie die aanleiding geeft tot problemen met betrekking tot de naleving van dit Verdrag door deze Staat die Partij is bij dit Verdrag, en waarin de Staat die Partij is bij dit Verdrag niet binnen de aangegeven termijn aan het verzoek voldoet, kan de Conferentie op aanbeveling van de Uitvoerende Raad onder andere de rechten en voorrechten van die Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge dit Verdrag beperken of opschorten totdat die Staat die Partij is bij dit Verdrag de nodige maatregelen neemt om zich te houden aan zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

  • 3In gevallen waarin voorwerp en doel van dit Verdrag ernstige schade kan worden toegebracht door ingevolge dit Verdrag, inzonderheid in artikel I, verboden activiteiten, kan de Conferentie de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag collectieve maatregelen aanbevelen in overeenstemming met het internationale recht.

  • 4De Conferentie brengt in bijzonder ernstige gevallen de kwestie, met inbegrip van de desbetreffende informatie en conclusies, onder de aandacht van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Artikel XIII. Verhouding tot andere internationale overeenkomsten

Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat daaruit beperkingen voortvloeien voor of daardoor wordt getornd aan de verplichtingen die een Staat die Partij is bij dit Verdrag op zich heeft genomen ingevolge het Protocol nopens het verbod van het gebruik tijdens oorlogshandelingen van verstikkende, giftige of andere gassen en van vormen van bacteriologische oorlogvoering, ondertekend te Genève op 17 juni 1925, en ingevolge het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, ondertekend te Londen, Moskou en Washington op 10 april 1972.

Artikel XIV. Regeling van geschillen

  • 1Geschillen die zich kunnen voordoen betreffende de toepassing of uitlegging van dit Verdrag worden geregeld in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties.

  • 2Wanneer zich een geschil voordoet tussen twee of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag of tussen een of meer Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Organisatie betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken partijen overleg met elkaar met het oog op de snelle regeling van het geschil door onderhandelingen of met andere vreedzame middelen naar keuze van de partijen, met inbegrip het doen van een beroep op de daarvoor in aanmerking komende organen van dit Verdrag en, in onderlinge overeenstemming, voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof, overeenkomstig het Statuut van het Hof. De betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag houden de Uitvoerende Raad op de hoogte van de genomen maatregelen.

  • 3De Uitvoerende Raad kan aan de regeling van een geschil bijdragen met de door hem passend geachte middelen, met inbegrip van het bieden van goede diensten, het doen van een beroep op de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bij een geschil om de door hen gekozen procedure tot regeling van het geschil te beginnen en het aanbevelen van een termijn voor een overeengekomen procedure.

  • 4De Conferentie bestudeert vraagstukken betreffende geschillen die door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag ter tafel zijn gebracht of door de Uitvoerende Raad onder haar aandacht zijn gebracht. De Conferentie stelt, wanneer zij zulks nodig acht, organen in of belast organen met taken betrekking hebbend op de regeling van deze geschillen overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter f.

  • 5De Conferentie en de Uitvoerende Raad zijn afzonderlijk bevoegd, onder voorbehoud van machtiging door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof te verzoeken advies uit te brengen over juridische kwesties die zich voordoen binnen de reikwijdte van de activiteiten van de Organisatie. Hiertoe wordt een overeenkomst tussen de Organisatie en de Verenigde Naties gesloten in overeenstemming met artikel VIII, lid 34, letter a.

  • 6Dit artikel laat artikel IX of de bepalingen inzake maatregelen tot rechtzetting van een situatie en tot waarborging van de naleving van dit Verdrag, met inbegrip van sancties, onverlet.

Artikel XV. Wijzigingen

  • 1Iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen. Iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag kan ook veranderingen, zoals aangegeven in het vierde lid, in de Bijlagen bij dit Verdrag voorstellen. Voorstellen tot wijziging zijn onderworpen aan de procedures in het tweede en derde lid. Voorstellen voor veranderingen, zoals aangegeven in het vierde lid, zijn onderworpen aan de procedures in het vijfde lid.

  • 2De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Directeur-Generaal ter toezending aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en aan de Depositaris. De voorgestelde wijziging wordt alleen bestudeerd door een Conferentie tot wijziging van het Verdrag. Een zodanige Conferentie wordt belegd indien een derde of meer van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag de Directeur-Generaal uiterlijk 30 dagen na de toezending mededelen dat zij verdere bestudering van het voorstel steunen. De Conferentie tot wijziging van het Verdrag wordt onmiddellijk na een gewone vergadering van de Conferentie gehouden, tenzij de verzoekende Staten die Partij zijn bij dit Verdrag een eerdere bijeenkomst vragen. In geen geval wordt een Conferentie tot wijziging van het Verdrag gehouden binnen 60 dagen na de toezending van de voorgestelde wijziging.

  • 3Wijzigingen worden van kracht voor alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag 30 dagen na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of aanvaarding door alle hieronder in letter b bedoelde Staten die Partij zijn bij dit Verdrag:

    • a.wanneer zij door de Conferentie tot wijziging van het Verdrag zijn aangenomen met de stemmen vóór van een meerderheid van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag terwijl geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag een stem tegen uitbrengt; en

    • b.zijn bekrachtigd of aanvaard door alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die op de Conferentie tot wijziging van het Verdrag een stem vóór hebben uitgebracht.

  • 4Ten einde de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag te verzekeren, kunnen de bepalingen in de Bijlagen worden veranderd overeenkomstig het vijfde lid, indien de voorgestelde veranderingen slechts betrekking hebben op aangelegenheden van administratieve of technische aard. Verandering van de Bijlage inzake stoffen geschiedt overeenkomstig het vijfde lid. De Titels A en C van de Vertrouwelijkheidsbijlage, Afdeling X van de Verificatiebijlage en de begripsomschrijvingen in Afdeling I van de Verificatiebijlage die uitsluitend betrekking hebben op uitdagingsinspecties, kunnen niet worden veranderd overeenkomstig het vijfde lid.

  • 5De in het vierde lid bedoelde voorgestelde veranderingen worden behandeld overeenkomstig de onderstaande procedures:

    • a.De tekst van de voorgestelde veranderingen wordt te zamen met de vereiste informatie toegezonden aan de Directeur-Generaal. Door iedere Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Directeur-Generaal kan aanvullende informatie worden verstrekt met het oog op de beoordeling van het voorstel. De Directeur-Generaal deelt deze voorstellen en informatie onverwijld mede aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de Uitvoerende Raad en de Depositaris;

    • b.Uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het voorstel onderwerpt de Directeur-Generaal het aan een beoordeling om alle mogelijke gevolgen ervan voor de bepalingen van dit Verdrag en zijn toepassing na te gaan en deelt hij alle informatie terzake mede aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Uitvoerende Raad;

    • c.De Uitvoerende Raad bestudeert het voorstel in het licht van alle informatie waarover hij beschikt, met inbegrip van de vraag of het voorstel voldoet aan de vereisten van het vierde lid. Uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het voorstel brengt de Uitvoerende Raad zijn aanbevelingen, met passende toelichtingen, ter kennis van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag met het oog op de bestudering ervan. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag bevestigen binnen 10 dagen de ontvangst;

    • d.Indien de Uitvoerende Raad aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag aanbeveelt het voorstel aan te nemen, wordt het als goedgekeurd beschouwd indien geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag er bezwaar tegen maakt binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling. Indien de Uitvoerende Raad aanbeveelt het voorstel te verwerpen, wordt het als verworpen beschouwd indien geen enkele Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen 90 dagen na ontvangst van de aanbeveling bezwaar maakt tegen de verwerping;

    • e.Indien een aanbeveling van de Uitvoerende Raad niet wordt aanvaard zoals vereist ingevolge letter d, wordt door de Conferentie op haar volgende bijeenkomst een besluit genomen inzake het voorstel als aangelegenheid van inhoudelijke aard, met inbegrip van de vraag of het voldoet aan de vereisten van het vierde lid;

    • f.De Directeur-Generaal brengt alle beslissingen ingevolge dit lid ter kennis van alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en van de Depositaris;

    • g.Ingevolge deze procedure goedgekeurde veranderingen worden voor alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van kracht 180 dagen na de datum van kennisgeving door de Directeur-Generaal dat zij zijn goedgekeurd, tenzij een andere termijn wordt aanbevolen door de Uitvoerende Raad of bepaald door de Conferentie.

Artikel XVI. Duur en opzegging

  • 1Dit Verdrag geldt voor onbeperkte duur.

  • 2Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft in de uitoefening van zijn nationale soevereiniteit het recht dit Verdrag op te zeggen indien hij besluit dat uitzonderlijke gebeurtenissen die verband houden met het onderwerp van dit Verdrag de hoogste belangen van zijn land hebben geschaad. Hij geeft met inachtneming van een termijn van 90 dagen kennis van een zodanige opzegging aan alle andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, de Uitvoerende Raad, de Depositaris en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Deze kennisgeving dient een uiteenzetting te omvatten van de uitzonderlijke gebeurtenissen die naar zijn mening zijn hoogste belangen hebben geschaad.

  • 3De opzegging van een Staat die Partij is bij dit Verdrag van dit Verdrag is op generlei wijze van invloed op de plicht van Staten de ingevolge de desbetreffende regels van het internationale recht, inzonderheid het Protocol van Genève van 1925, aangegane verplichtingen te blijven nakomen.

Artikel XVII. Status van de Bijlagen

De Bijlagen vormen een integrerend deel van dit Verdrag. Elke verwijzing naar dit Verdrag heeft tevens betrekking op de Bijlagen.

Artikel XVIII. Ondertekening

Dit Verdrag staat vóór zijn inwerkingtreding open voor ondertekening voor alle Staten.

Artikel XIX. Bekrachtiging

Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures.

Artikel XX. Toetreding

Iedere Staat die dit Verdrag niet vóór zijn inwerkingtreding ondertekent, kan op elk tijdstip daarna ertoe toetreden.

Artikel XXI. Inwerkingtreding

  • 1Dit Verdrag treedt in werking 180 dagen na de datum van nederlegging van de 65ste akte van bekrachtiging, doch in geen geval eerder dan twee jaar nadat het is opengesteld voor ondertekening.

  • 2Ten aanzien van Staten waarvan de akten van bekrachtiging of toetreding zijn nedergelegd na de inwerkingtreding van dit Verdrag, treedt het in werking op de 30ste dag volgend op de datum van nederlegging van hun akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel XXII. Voorbehouden

Er kunnen ten aanzien van de artikelen van dit Verdrag geen voorbehouden worden gemaakt. Ten aanzien van de Bijlagen bij dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt die strijdig zijn met voorwerp en doel van het Verdrag.

Artikel XXIII. Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt hierbij aangewezen als Depositaris van dit Verdrag. Onder meer doet hij:

  • a.alle ondertekenende en toetredende Staten kennisgeving van de datum van elke ondertekening, de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding en de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en van de ontvangst van andere mededelingen;

  • b.voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen aan de Regeringen van alle ondertekenende en toetredende Staten; en

  • c.dit Verdrag registreren overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel XXIV. Authentieke teksten

Dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs op dertien januari 1993

Bijlage inzake stoffen

A. RICHTLIJNEN VOOR LIJSTEN VAN STOFFEN

Richtlijnen voor Lijst 1

  • 1.De volgende criteria dienen in aanmerking te worden genomen bij het overwegen van de vraag of giftige stoffen of voorlopers in Lijst 1 moeten worden opgenomen:

    • a.Zij zijn ontwikkeld, geproduceerd, in voorraad gehouden of gebruikt als chemisch wapen zoals omschreven in artikel II;

    • b.Zij vormen anderszins een groot risico voor de verwezenlijking van de voorwerp en doel van dit Verdrag, gezien de grote kans dat zij worden gebruikt bij ingevolge dit Verdrag verboden activiteiten, omdat aan een of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

      • i.Zij hebben een chemische structuur die nauw verwant is aan die van andere in Lijst 1 opgenomen giftige stoffen en hebben vergelijkbare eigenschappen, of hebben vermoedelijk vergelijkbare eigenschappen;

      • ii.Zij hebben een zodanige letale of incapaciterende toxiciteit alsook andere eigenschappen die van zodanige aard zijn, dat zij als chemisch wapen kunnen worden gebruikt;

      • iii.Zij kunnen worden gebruikt als voorloper in de laatste afzonderlijke technologische stap in de produktie van een in Lijst 1 opgenomen giftige stof, ongeacht of deze stap plaatsvindt in inrichtingen, munitie of elders;

    • c.Zij zijn niet of nauwelijks bruikbaar voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

Richtlijnen voor Lijst 2

  • 2.De volgende criteria dienen in aanmerking te worden genomen bij het overwegen van de vraag of giftige stoffen die niet zijn opgenomen in Lijst 1, dan wel voorlopers van een stof in Lijst 1 of Lijst 2, deel A, moeten worden opgenomen in Lijst 2:

    • a.Zij vormen een aanzienlijk risico voor de verwezenlijking van voorwerp en doel van dit Verdrag omdat zij een zodanige letale of incapaciterende toxiciteit hebben alsook andere eigenschappen die van zodanige aard zijn, dat zij als chemisch wapen zouden kunnen worden gebruikt;

    • b.Zij kunnen als voorloper worden gebruikt in een van de chemische reacties in de laatste stap van de vorming van een stof die is opgenomen in Lijst 1 of Lijst 2, deel A;

    • c.Zij vormen een aanzienlijk risico voor de verwezenlijking van voorwerp en doel van dit Verdrag, gezien het belang ervan voor de produktie van een stof die is opgenomen in Lijst 1 of Lijst 2, deel A.

    • d.Zij worden niet in grote hoeveelheden in het bedrijfsleven geproduceerd voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

Richtlijnen voor Lijst 3

  • 3.De volgende criteria dienen in aanmerking te worden genomen bij het overwegen van de vraag of giftige stoffen of voorlopers die niet zijn opgenomen in andere Lijsten, moeten worden opgenomen in Lijst 3:

    • a.Zij zijn geproduceerd, in voorraad gehouden of gebruikt als chemisch wapen;

    • b.Zij vormen anderszins een risico voor de verwezenlijking van voorwerp en doel van dit Verdrag omdat zij een zodanige letale of incapaciterende toxiciteit hebben alsook andere eigenschappen die van zodanige aard zijn, dat zij misschien als chemisch wapen zouden kunnen worden gebruikt;

    • c.Zij vormen een risico voor de verwezenlijking van voorwerp en doel van dit Verdrag, gezien het belang ervan voor de produktie van één of meer stoffen die zijn opgenomen in Lijst 1 of Lijst 2, deel B;

    • d.Zij kunnen in grote hoeveelheden in het bedrijfsleven worden geproduceerd voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

B. LIJSTEN VAN STOFFEN

In de volgende Lijsten worden giftige stoffen en hun voorlopers genoemd. Voor de toepassing van dit Verdrag worden in deze Lijsten de stoffen opgenomen waarop de verificatiemaatregelen dienen te worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van de Verificatiebijlage. Ingevolge artikel II, eerste lid, letter a, gelden vermeldingen in deze lijsten niet als begripsomschrijvingen van chemische wapens.

(Wanneer wordt verwezen naar groepen gedialkyleerde chemische stoffen, gevolgd door een lijst van alkylgroepen tussen haakjes, worden alle stoffen die mogelijk zijn in alle mogelijke combinaties van tussen haakjes genoemde alkylgroepen, beschouwd als opgenomen in de desbetreffende Lijst, voor zover zij niet expliciet daarvan worden uitgezonderd. Voor stoffen voorzien van een „*” Lijst 2, deel A, gelden bijzondere drempelwaarden voor opgave en verificatie, zoals omschreven in Afdeling VII van de Verificatiebijlage.)

Lijst 1

(Registratienummer van de Chemical Abstracts Service)

A.

Giftige stoffen:

1.

O-Alkyl (< C10, incl. cycloalkyl) alkyl- (Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosfonfluoridaten

bijv. Sarin: O-Isopropylmethylfosfonfluori daat

(107-44-8)

Soman: O-Pinacolylmethylfosfonfluoridaat

(96-64-0)

2.

O-Alkyl (<C10 , incl. cycloalkyl) N,N-dialkyl(Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosforamidocyanidaten

bijv. Tabun: O-Ethyl N,N-dimethyl-fosforamidocyanidaat

(77-81-6)

3.

O-Alkyl (H of < C10 , incl. cycloalkyl) S-2-dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)aminoethylalkyl- (Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosfonthiolaten en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten

bijv. VX: O-Ethyl S-2-diisopropylamino-ethylmethylfosfonthiolaat

(50782-69-9)

4.

Zwavelmosterdgassen:

2-chloorethylchloormethylsulfide

(2625-76-5)

Mosterdgas: Bis(2-chloorethyl)sulfide

(505-60-2)

Mosterdgas: Bis(2-chloorethyl)sulfide

(63869-13-6)

Sesquimosterdgas:

l,2-Bis(2-chloorethylthio)ethaan

3563-36-8)

l,3-Bis(2-chloorethylthio)-n-propaan

(63905-10-2)

l,4-Bis(2-chloorethylthio)-n-butaan

(142868-93-7)

l,5-Bis(2-chloorethylthio)-n-pentaan

(142868-94-8)

Bis(2-chloorethylthiomethyl)ether

(63918-90-1)

O-Mosterdgas: Bis(2-chloorethylthioethyl)-ether

(63918-89-8)

5.

Lewisieten:

Lewisiet 1: 2-Chloorvinyldichloorarsine

(541-25-3 )

Lewisiet 2: Bis(2-chloorvinyl)chloorarsine

(40334-69-8)

Lewisiet 3: Tris(2-chloorvinyl)arsine

(40334-70-1)

6.

Stikstofmosterdgassen

HN1: Bis(2-chloorethyl)ethylamine

(538-07-8)

HN2: Bis(2-chloorethyl)methylamine

(51-75-2)

HN3: Tris(2-chloorethyl)amine

(555-77-1)

7.

Saxitoxine

(35523-89-8)

8.

Ricine

(9009-86-3)

13.

Р-Alkyl (H of ≤C10, incl. cycloalkyl) N-(1-(dialkyl(≤C10, incl. cycloalkyl)amino))alkylideen(H of ≤C10, incl. cycloalkyl) fosfonamidofluoriden en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten

bijv. N-(1-(di-n-decylamine)-n-decylideen)-P-decylfosfonamidofluoride

(2387495-99-8)

Methyl-(1-(diethylamino)ethylideen)fosfonamidofluoridaat

(2387496-12-8)

14.

O-Alkyl (H of ≤C10, incl. cycloalkyl) N-(1-(dialkyl(≤C10, incl. cycloalkyl)amino))alkylideen(H of ≤C10, incl. cycloalkyl) fosforamidofluoridaten en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten

bijv. O-n-Decyl N-(1-(di-n-decylamine)-n-decylideen)fosforamidofluoridaat

(2387496-00-4)

Methyl-(1-(diethylamino)ethylideen)fosforamidofluoridaat

(2387496-04-8)

Ethyl-(1-(diethylamino)ethylideen)fosforamidofluoridaat

(2387496-06-0)

15.

Methyl-(bis(diethylamino)methyleen)fosfonamidofluoridaat

(2387496-14-0)

16.

Carbamaten (quaternairen en bis-quaternairen van dimethylcarbamoyloxypyridinen)

Quaternairen van dimethylcarbamoyloxypyridinen:

1-[N,N-dialkyl(≤C10)-N-(n-(hydroxyl, cyano, acetoxy)alkyl(≤C10)) ammonio]-n-[N-(3- dimethyl carbamoxy-α-picolinyl)-N,N-dialkyl(≤C10) ammonio]decaan dibromide (n=1-8)

bijv. 1-[N,N-dimethyl-N-(2-hydroxy)ethylammonio]-10-[N-(3-dimethylcarbamoxy-α- picolinyl)-N,N-dimethylammonio]decaan dibromide

(77104-62-2)

Bis-quaternairen van dimethylcarbamoyloxypyridinen:

1,n-Bis[N-(3-dimethylcarbamoxy-α-picolyl)-N,N-dialkyl(≤C10) ammonio]-alkaan-(2,(n-1)-dione) dibromide (n=2-12)

bijv 1,10-Bis[N-(3-dimethylcarbamoxy-α-picolyl)-N-ethyl-N-methylammonio]decaan-2,9-dione dibromide.

(77104-00-8)

B.

Voorlopers:

9.

Alkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosfondifluoriden

bijv. DF: Methylfosfondifluoride

(676-99-3)

10.

O-Alkyl (H of < C10 , incl. cycloalkyl) O-2-dialkyl- (Me, Et, n-Pr of i-Pr)aminoethylalkyl-(Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosfonieten en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten,

bijv. QL: O-Ethyl O-2-diisopropylamino-ethylmethylfosfoniet

(57856-11-8)

11.

Chloorsarin: O-Isopropylmethylfosfonchloridaat

(1445-76-7)

12.

Chloorsoman: O-Pinacolylmethylfosfonchloridaat

(7040-57-5)

Lijst 2

A.

Giftige stoffen:

1.

Amiton: 0,0-Diethyl S-[2-(diethylamino)-ethyl]- fosforthiolaat en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten

(78-53-5)

2.

PFIB: 1,1,3,3,3-Pentanuor-2-(trifluormethyl)-1-propeen

(382-21-8)

3.

BZ: 3-Quinuclidinylbenzilaat (*)

(6581-06-2)

B.

Voorlopers:

4.

Stoffen, behalve die welke zijn opgenomen in Lijst 1, die een fosforatoom bevatten met daaraan gebonden een methyl-, ethyl- of propylgroep (normaal of iso), maar geen overige koolstofatomen,

(676-97-1)

bijv. Methylfosfondichloride Dimethylmethylfosfonaat

(756-79-6)

Uitgezonderd: Fonofos: O-Ethyl S-fenylethylfosfonthiolthionaat

(944-22-9)

5.

N,N-Dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosforamidodihalogeniden

6.

Dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr) N,N-dialkyl-(Me, Et, n-Pr of i-Pr)fosforamidaten

7.

Arseentrichloride

(7784-34-1)

8.

2,2-Difenyl-2-hydroxyazijnzuur

(76-93-7)

9.

Quinuclidine-3-ol

(1619-34-7)

10.

N,N-Dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)aminoethyl-2-chloriden en overeenkomstige geprotoneerde zouten

11.

N,N-Dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)amino-ethaan-2-olen en overeenkomstige geprotoneerde zouten

Uitgezonderd: N,N-Dimethylaminoethanol en overeenkomstige geprotoneerde zouten

(108-01-0)

N,N-Diethylaminoethanol en overeenkomstige geprotoneerde zouten

(100-37-8)

12.

N,N-Dialkyl (Me, Et, n-Pr of i-Pr)amino-ethaan-2-thiolen en overeenkomstige geprotoneerde zouten

13.

Thiodiglycol: Bis(2-hydroxyethyl)sulfide

(111-48-8)

14.

Pinacolylalcohol: 3,3-Dimethylbutaan-2-ol

(464-07-3)

Lijst 3

A.

Giftige stoffen:

1.

Fosgeen: Carbonylchloride

(75-44-5)

2.

Chloorcyaan

(506-77-4)

3.

Cyaanwaterstof

(74-90-8)

4.

Chloorpicrine: Trichloornitromethaan

(76-06-2)

B.

Voorlopers:

5.

Fosforoxychloride

(10025-87-3)

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16.

17.

Fosfortrichloride

Fosforpentachloride

Trimethylfosfiet

Triethylfosfiet

Dimethylfosfiet

Diethylfosfiet

Zwavelchloride

Zwaveldichloride

Thionylchloride

Ethyldiethanolamine

Methyldiethanolamine

Triethanolamine

(7719-12-2)

(10026-13-8)

(121-45-9)

(122-52-1)

(868-85-9)

(762-04-9)

(10025-67-9)

(10545-99-0)

(7719-09-7)

(139-87-7)

(105-59-9)

(102-71-6)

Bijlage inzake uitvoering en verificatie („Verificatiebijlage”)

AFDELING I. Begripsomschrijvingen

1.

Onder „goedgekeurde uitrusting” wordt verstaan de apparaten en hulpmiddelen die benodigd zijn voor de verrichting van de taken van het inspectieteam en die in orde zijn bevonden door het Technisch Secretariaat in overeenstemming met de door het Technisch Secretariaat opgestelde voorschriften krachtens Afdeling II, paragraaf 27, van deze Bijlage. Tot die uitrusting kunnen ook worden gerekend de administratieve benodigdheden en opname-apparatuur die door het inspectieteam kunnen worden gebruikt.

2.

„Gebouw” als genoemd in de omschrijving van een inrichting voor de produktie van chemische wapens in artikel II omvat speciale gebouwen en standaardgebouwen.

  • a.Onder „speciaal gebouw” wordt verstaan:

    • i.elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, dat speciale apparatuur bevat in een produktie- of vulopstelling;

    • ii.elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, dat bijzondere kenmerken heeft, waardoor het zich onderscheidt van gebouwen die normaal worden gebruikt voor chemische produktie- of vulactiviteiten die niet zijn verboden ingevolge dit Verdrag.

  • b.Onder „standaardgebouw” wordt verstaan elk gebouw, met inbegrip van ondergrondse bouwwerken, gebouwd overeenkomstig in de industrie geldende normen voor inrichtingen die niet de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of bijtende stoffen produceren.

3.

Onder „uitdagingsinspectie” wordt verstaan de inspectie van een inrichting of plaats op het grondgebied van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, of op enige andere onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag vallende plaats, op verzoek van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomstig artikel IX, achtste tot en met vijfentwintigste lid.

4.

Onder „onderscheiden organische chemische stoffen” worden verstaan stoffen behorende tot de klasse van chemische verbindingen bestaande uit alle koolstofverbindingen, met uitzondering van oxiden, sulfiden en metaal-carbonaten daarvan, te onderscheiden door middel van hun chemische naam, hun structuurformule, indien bekend, en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend.

5.

„Apparatuur” als genoemd in de omschrijving van een inrichting voor de produktie van chemische wapens in artikel II omvat speciale apparatuur en standaardapparatuur.

  • a.Onder „speciale apparatuur” wordt verstaan:

    • i.de hoofdproduktielijn, met inbegrip van alle reactoren of apparatuur voor het synthetiseren, scheiden of zuiveren van produkten, alle apparatuur die rechtstreeks wordt gebruikt voor warmte-overdracht in het laatste technologische stap, zoals in reactoren of bij de scheiding van produkten, alsmede alle andere apparatuur die in aanraking is geweest van de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of daarmee in aanraking zou zijn gekomen indien de inrichting zou worden gebruikt;

    • ii.alle machines voor het vullen van chemische wapens;

    • iii.alle andere apparatuur die speciaal is ontworpen, gebouwd of geïnstalleerd voor het gebruik van de inrichting als inrichting voor de produktie van chemische wapens, die te onderscheiden is van een inrichting die is gebouwd overeenkomstig in de commerciële industrie geldende normen voor inrichtingen die niet de in artikel II, achtste lid, letter a, onder i, genoemde stoffen of bijtende stoffen produceren, zoals apparatuur vervaardigd van legeringen met een hoog nikkelgehalte of ander speciaal corrosiebestendig materiaal, speciale apparatuur voor afvalbeheersing, afvalbehandeling, het filteren van lucht of de terugwinning van oplosmiddelen, speciale insluitsystemen en veiligheidsschermen, niet-standaard-laboratoriumapparatuur gebruikt voor het analyseren van giftige stoffen ten behoeve van chemische wapens, speciaal ontworpen procesbesturingspanelen of speciale reserve-onderdelen voor speciale apparatuur.

  • b.Onder „standaardapparatuur” wordt verstaan:

    • i.produktie-apparatuur die algemeen in de chemische industrie wordt gebruikt en die niet behoort tot de typen speciale apparatuur;

    • ii.overige apparatuur die gewoonlijk in de chemische industrie wordt gebruikt, zoals brandbestrijdingsapparatuur; controle- en beveiligings-/veiligheidsapparatuur; medische voorzieningen, laboratoriumfaciliteiten of communicatie-apparatuur.

6.

Onder „inrichting” in de context van artikel VI wordt verstaan één van de hieronder omschreven industriële vestigingen („fabriekscomplex”, „fabriek” en „eenheid”).

  • a.Onder „fabriekscomplex” wordt verstaan een op één plaats gevestigd geheel van één of meer fabrieken, met alle administratieve niveaus daartussen, die onder één bedrijfsleiding vallen, en dat gemeenschappelijke infrastructuur omvat, zoals:

    • i.een administratie en andere kantoren;

    • ii.reparatie- en onderhoudswerkplaatsen;

    • iii.een medisch centrum;

    • iv.algemene voorzieningen;

    • v.een centraal analytisch laboratorium;

    • vi.onderzoeks- en ontwikkelingslaboratoria;

    • vii.een centrale ruimte voor de zuivering van afvalwater en de behandeling van afval; en

    • viii.magazijnen.

  • b.Onder „fabriek” wordt verstaan een relatief op zichzelf staand terrein, bouwwerk of gebouw dat één of meer eenheden met bijbehorende infrastructuur omvat, zoals:

    • i.een kleine administratieve afdeling;

    • ii.ruimten voor de opslag/behandeling van grondstoffen en produkten;

    • iii.een ruimte voor de zuivering van afvalwater en de behandeling van afval;

    • iv.een controlelaboratorium/analytisch laboratorium;

    • v.een afdeling voor E.H.B.O. en aanverwante medische diensten;

    • vi.Registers met betrekking tot het vervoer naar, over en van het terrein van opgegeven chemische stoffen en de grondstoffen daarvoor of de daaruit gevormde chemische produkten, indien van toepassing.

  • c.Onder „eenheid” (produktie-eenheid) wordt verstaan de combinatie van de bestanddelen van de apparatuur, met inbegrip van vaten en vatopstelling, die nodig zijn voor de produktie, de be-/verwerking of het verbruik van chemische stoffen.

7.

Onder „inrichtingsakkoord” wordt verstaan een akkoord of regeling tussen een Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie met betrekking tot een bepaalde inrichting die is onderworpen aan verificatie ter plaatse overeenkomstig de artikelen IV, V en VI.

8.

Onder „Gaststaat” wordt verstaan de Staat op het grondgebied waarvan inrichtingen of terreinen liggen van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag die zijn onderworpen aan inspectie ingevolge dit Verdrag.

9.

Onder „begeleidingsteam” wordt verstaan personen, opgegeven door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en, indien van toepassing, door de Gaststaat, indien zij zulks wensen, om het inspectieteam gedurende de verblijfsperiode te vergezellen en bij te staan.

10.

Onder „verblijfsperiode” wordt verstaan het tijdvak vanaf de aankomst van het inspectieteam op een punt van binnenkomst tot zijn vertrek uit de Staat op een punt van binnenkomst.

11.

Onder „eerste inspectie” wordt verstaan de eerste inspectie ter plaatse van inrichtingen ter verificatie van de overeenkomstig de artikelen III, IV, V en VI en deze Bijlage ingediende opgaven.

12.

Onder „geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag” wordt verstaan de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied, of op enige andere plaats onder zijn rechtsmacht of toezicht, een inspectie ingevolge dit Verdrag plaatsvindt, of de Staat die Partij is bij dit Verdrag wiens inrichting of terrein op het grondgebied van een Gaststaat is onderworpen aan zo’n inspectie; onder deze term is echter niet begrepen de Staat die Partij is bij dit Verdrag genoemd in Afdeling II, paragraaf 21, van deze Bijlage.

13.

Onder „inspectie-assistent” wordt verstaan een persoon, aangewezen door het Technisch Secretariaat als bedoeld in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage, om inspecteurs bij te staan bij een inspectie of bezoek, zoals medisch personeel, beveiligingspersoneel, administratief personeel en tolken.

14.

Onder „inspectiemandaat” wordt verstaan de instructies van de Directeur-Generaal voor het inspectieteam betreffende het verrichten van een bepaalde inspectie.

15.

Onder „inspectiehandboek” wordt verstaan de door het Technisch Secretariaat samengestelde verzameling aanvullende procedures voor het verrichten van inspecties.

16.

Onder „inspectieplaats” wordt verstaan een inrichting of terrein waar een inspectie wordt uitgevoerd en die specifiek is omschreven in het desbetreffende inrichtingsakkoord of het desbetreffende inspectieverzoek of -mandaat, dan wel het verzoek om inspectie zoals uitgebreid met de alternatieve of definitieve omtrek.

17.

Onder „inspectieteam” wordt verstaan de groep inspecteurs en inspectie-assistenten, door de Directeur-Generaal belast met het verrichten van een bepaalde inspectie.

18.

Onder „inspecteur” wordt verstaan een persoon, aangewezen door het Technisch Secretariaat overeenkomstig de procedures als uiteengezet in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage, voor het uitvoeren van een inspectie of het afleggen van een bezoek in overeenstemming met dit Verdrag.

19.

Onder „modelovereenkomst” wordt verstaan een document waarin de algemene vorm en inhoud is aangegeven van een tussen een Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie gesloten akkoord ter uitvoering van de in deze Bijlage vervatte verificatiebepalingen.

20.

Onder „waarnemer” wordt verstaan een vertegenwoordiger van een verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag of een derde Staat die Partij is bij dit Verdrag die een uitdagingsinspectie gadeslaat.

21.

Onder „omtrek” wordt in geval van een uitdagingsinspectie verstaan de buitengrens van een inspectieplaats, bepaald hetzij aan de hand van geografische coördinaten, hetzij aan de hand van een beschrijving op een kaart.

  • a.Onder „verlangde omtrek” wordt verstaan de omtrek van de inspectieplaats als aangegeven in overeenstemming met Afdeling X, paragraaf 8, van deze Bijlage;

  • b,Onder „alternatieve omtrek” wordt verstaan de omtrek van de inspectieplaats zoals deze als alternatief voor de verlangde omtrek is aangegeven door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag; deze dient in overeenstemming te zijn met de vereisten als vermeld in Afdeling X, paragraaf 17, van deze Bijlage;

  • c.Onder „definitieve omtrek” wordt verstaan de definitieve omtrek van de inspectieplaats zoals overeengekomen tijdens onderhandelingen tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag in overeenstemming met Afdeling X, paragrafen 16 t/m 21, van deze Bijlage;

  • d.Onder „opgegeven omtrek” wordt verstaan de buitengrens van de overeenkomstig de artikelen III, IV, V en VI opgegeven inrichting.

22.

Voor de toepassing van artikel IX wordt onder „inspectieperiode” verstaan het tijdvak vanaf de toegang van het inspectieteam tot de inspectieplaats tot aan zijn vertrek van de inspectieplaats, exclusief de tijd besteed aan briefings vóór en na de verificatie-activiteiten.

23.

Voor de toepassing van de artikelen IV, V en VI wordt onder „inspectie-periode” verstaan het tijdvak vanaf de aankomst van het inspectieteam op de inspectieplaats tot aan zijn vertrek van de inspectieplaats, exclusief de tijd besteed aan briefings vóór en na de verificatie-activiteiten.

24.

Onder „punt van binnenkomst”/„punt van vertrek” wordt verstaan een plaats aangewezen voor de aankomst van inspectieteams voor inspecties ingevolge dit Verdrag of voor hun vertrek na voltooiing van hun opdracht.

25.

Onder „verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag” wordt verstaan een Staat die Partij is bij dit Verdrag die heeft verzocht om een uitdagingsinspectie ingevolge artikel IX.

26.

Onder „ton” wordt verstaan een metrieke ton, d.w.z. 1000 kg.

AFDELING II. Algemene verificatieregels

A. AANWIJZING VAN INSPECTEURS EN INSPECIE-ASSISTENTEN

1.

Uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag maakt het Technisch Secretariaat aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag schriftelijk de naam, de nationaliteit en de rang bekend van de inspecteurs en inspectie-assistenten die voor aanwijzing zijn voorgedragen, alsmede een beschrijving van hun kwalificaties en beroepservaring.

2.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient onmiddellijk de ontvangst te bevestigen van de lijst van inspecteurs en inspectie-assistenten die zijn voorgedragen voor aanwijzing. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat schriftelijk in kennis te stellen van zijn aanvaarding van elke inspecteur en inspectie-assistent, zulks uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst. Alle in deze lijst opgenomen inspecteurs en inspectie-assistenten worden geacht te zijn aangewezen, tenzij een Staat die Partij is bij dit Verdrag, uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst, schriftelijk haar niet-aanvaarding kenbaar maakt. De Staat die Partij is bij dit Verdrag kan daarbij de redenen voor het bezwaar vermelden.

In geval van niet-aanvaarding mag de voorgedragen inspecteur of inspectie-assistent niet overgaan tot of deelnemen aan verificatie-activiteiten op het grondgebied, of op enige andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van de Staat die Partij is bij dit Verdrag die zijn niet-aanvaarding kenbaar heeft gemaakt. Het Technisch Secretariaat doet, indien noodzakelijk, verdere voorstellen in aanvulling op de oorspronkelijke lijst.

3.

Verificatie-activiteiten ingevolge dit Verdrag mogen slechts worden verricht door aangewezen inspecteurs en inspectie-assistenten.

4.

Behoudens de bepalingen van paragraaf 5 heeft een Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht te allen tijde bezwaar te maken tegen een inspecteur of inspectie-assistent die reeds is aangewezen. Hij dient het Technisch Secretariaat schriftelijk van zijn bezwaar in kennis te stellen en kan daarbij de reden voor het bezwaar vermelden. Dit bezwaar wordt 30 dagen na ontvangst door het Technisch Secretariaat van kracht. Het Technisch Secretariaat licht de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk in over de herroeping van de aanwijzing van de inspecteur of inspectie-assistent.

5.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die van een inspectie in kennis is gesteld, mag niet trachten één van de aangewezen inspecteurs of inspectie-assistenten die zijn genoemd in de lijst van het inspectieteam te doen verwijderen uit het inspectieteam voor die inspectie.

6.

Het aantal inspecteurs en inspectie-assistenten dat is aanvaard door en aangewezen ten opzichte van een Staat die Partij is bij dit Verdrag moet groot genoeg zijn om ervoor te kunnen zorgen dat er voldoende inspecteurs en inspectie-assistenten beschikbaar zijn en dat zij kunnen rouleren.

7.

Indien, naar het oordeel van de Directeur-Generaal, de niet-aanvaarding van de voorgedragen inspecteurs of inspectie-assistenten een beletsel vormt voor de aanwijzing van een voldoende aantal inspecteurs of inspectie-assistenten, of anderszins de doelmatige taakverrichting van het Technisch Secretariaat belemmert, legt de Directeur-Generaal het vraagstuk voor aan de Uitvoerende Raad.

8.

Wanneer wijzigingen op de bovengenoemde lijsten van inspecteurs en inspectie-assistenten noodzakelijk zijn, of hierom wordt verzocht, worden de vervangende inspecteurs en inspectie-assistenten aangewezen op dezelfde wijze als uiteengezet ten aanzien van de oorspronkelijke lijst.

9.

De leden van het inspectieteam die een inspectie uitvoeren van een inrichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag die is gelegen op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag worden aangewezen in overeenstemming met de procedures vervat in deze Bijlage, die gelden voor zowel de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag als de Partij die Gaststaat is.

B. VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

10.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen na de bevestiging van de ontvangst van de lijst van inspecteurs en inspectie-assistenten, of van wijzigingen daarop, inreis-/uitreis- en/ of transitvisa voor verscheidene reizen en andere soortgelijke documenten te verstrekken ten einde elke inspecteur en inspectie-assistent in staat te stellen binnen te komen op het grondgebied van die Staat die Partij is bij dit Verdrag en aldaar te verblijven ten behoeve van de verrichting van inspectie-activiteiten. Deze documenten dienen ten minste twee jaar geldig te zijn na de verstrekking daarvan aan het Technisch Secretariaat.

11.

Om hun taken doeltreffend te kunnen uitoefenen worden aan inspecteurs en inspectie-assistenten de in de letter a tot en met i genoemde voorrechten en immuniteiten verleend. De voorrechten en immuniteiten worden aan de leden van het inspectieteam verleend met het oog op dit Verdrag en niet in het persoonlijk belang van de betrokkenen zelf. Deze voorrechten en immuniteiten worden aan hen verleend voor het gehele tijdvak tussen de aankomst op en het vertrek van het grondgebied van de geïnspecteerde Partij of Gaststaat, en daarna ten aanzien van handelingen die eerder zijn verricht in de uitoefening van hun officiële taken.

  • a.Aan leden van het inspectieteam wordt de onschendbaarheid verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 29 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.

  • b.De woonruimten en kantoren die worden betrokken door het inspectieteam dat inspectie-activiteiten verricht ingevolge dit Verdrag genieten de onschendbaarheid en bescherming die de gebouwen van diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 30, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.

  • c.De papieren en briefwisseling, met inbegrip van dossiers, van het inspectieteam genieten de onschendbaarheid die alle papieren en briefwisseling van diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 30, tweede lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Het inspectieteam heeft het recht codes te gebruiken voor het berichtenverkeer met het Technisch Secretariaat.

  • d.Monsters en goedgekeurde uitrusting die leden van het inspectieteam bij zich hebben zijn onschendbaar, met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, en zijn vrijgesteld van alle douanerechten. Gevaarlijke monsters dienen te worden vervoerd in overeenstemming met de desbetreffende voorschriften.

  • e.Aan de leden van het inspectieteam worden de immuniteiten verleend die aan diplomatieke ambtenaren worden verleend op grond van artikel 31, eerste, tweede en derde lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.

  • f,Aan de leden van het inspectieteam die voorgeschreven activiteiten verrichten ingevolge dit Verdrag wordt de vrijstelling van belastingen en rechten verleend die aan diplomatieke ambtenaren wordt verleend op grond van artikel 34 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.

  • g.Het is de leden van het inspectieteam toegestaan, zonder betaling van douanerechten of daarmee verband houdende heffingen, goederen voor persoonlijk gebruik mede te brengen op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is, met uitzondering van goederen waarvan de in- of uitvoer bij wet is verboden of is onderworpen aan quarantainebepalingen.

  • h.Aan de leden van het inspectieteam worden dezelfde valuta- en wisselfaciliteiten verleend als aan vertegenwoordigers van vreemde Regeringen met tijdelijke officiële opdrachten.

  • i.De leden van het inspectieteam mogen zich op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat niet bezighouden met enige beroepsactiviteit of commerciële activiteit in hun persoonlijk voordeel.

12.

Tijdens de doorreis over het grondgebied van niet-geïnspecteerde Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden aan de leden van het inspectieteam de voorrechten en immuniteiten verleend die diplomatieke ambtenaren genieten op grond van artikel 40, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. De papieren en briefwisseling, met inbegrip van dossiers, en monsters en goedgekeurde uitrusting die zij bij zich hebben, genieten de in paragraaf 11, letters c en d, genoemde voorrechten en immuniteiten.

13.

Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten zijn de leden van het inspectieteam verplicht de wetten en voorschriften van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat te eerbiedigen en zijn zij verplicht, voor zover verenigbaar met het inspectiemandaat, zich niet te mengen in de interne aangelegenheden van die Staat. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is van oordeel is dat er sprake is van misbruik van de in deze Bijlage genoemde voorrechten en immuniteiten, wordt overleg gevoerd tussen de Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Directeur-Generaal om vast te stellen of bedoeld misbruik heeft plaatsgevonden en, zo ja, om herhaling daarvan te voorkomen.

14.

Van de immuniteit van rechtsmacht van leden van het inspectieteam kan door de Directeur-Generaal afstand worden gedaan in de gevallen waarin de Directeur-Generaal van oordeel is dat de immuniteit de rechtsgang belemmert en dat hiervan afstand kan worden gedaan zonder afbreuk te doen aan de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. Het afstand doen van immuniteit dient altijd uitdrukkelijk te geschieden.

15.

Aan waarnemers worden dezelfde voorrechten en immuniteiten verleend als aan inspecteurs ingevolge deze Titel, met uitzondering van de ingevolge paragraaf 11, letter d, verleende voorrechten en immuniteiten.

C. PERMANENTE REGELINGEN

Punten van binnenkomst

16.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de punten van binnenkomst aan te wijzen en de vereiste informatie aan het Technisch Secretariaat te verstrekken uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden. Deze punten van binnenkomst dienen zodanig te zijn, dat het inspectieteam elke inspectieplaats binnen twaalf uur kan bereiken vanaf ten minste één punt van binnenkomst. De ligging van de punten van binnenkomst wordt door het Technisch Secretariaat aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekt.

17.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag kan de punten van binnenkomst wijzigen door daarvan kennisgeving te doen aan het Technisch Secretariaat. Wijzigingen worden 30 dagen nadat het Technisch Secretariaat die kennisgeving heeft ontvangen van kracht, zulks om alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis te kunnen stellen.

18.

Indien het Technisch Secretariaat van oordeel is dat er onvoldoende punten van binnenkomst zijn voor de tijdige verrichting van de inspecties, of dat de door een Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde wijzigingen van de punten van binnenkomst de tijdige verrichting van inspecties zouden belemmeren, pleegt het overleg met de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag om het probleem op te lossen.

19.

Ingeval inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn gelegen op het grondgebied van een Partij die Gaststaat is of indien voor de toegang tot de aan inspectie onderworpen inrichtingen of terreinen vanaf het punt van binnenkomst de doorreis over het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag nodig is, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de rechten en verplichtingen betreffende die inspecties uit te oefenen c.q. na te komen in overeenstemming met deze Bijlage. De Partij die Gaststaat is dient de inspectie van die inrichtingen of terreinen te vergemakkelijken en de nodige steun te bieden om het inspectieteam in staat te stellen om zijn taken tijdig en doeltreffend te verrichten. Staten die Partij zijn bij dit Verdrag over wier grondgebied de doorreis nodig is om inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Partij te inspecteren, dienen die doorreis te vergemakkelijken.

20.

Ingeval inrichtingen of terreinen van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn gelegen op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat inspecties van die inrichtingen of terreinen kunnen worden verricht in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die één of meer inrichtingen of terreinen heeft op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de ten aanzien van die Staat die Partij is bij dit Verdrag aangewezen inspecteurs en inspectie-assistenten worden aanvaard door de Gaststaat. Indien een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag niet in staat is de toegang te waarborgen, dient die Staat die Partij is bij dit Verdrag aan te tonen dat hij alle nodige maatregelen heeft genomen om toegang te verlenen.

21.

Ingeval de te inspecteren inrichtingen of terreinen zijn gelegen op het grondgebied van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, maar op een plaats die valt onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag alle nodige maatregelen te nemen die van een geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of een Partij die Gaststaat is worden verlangd om ervoor te zorgen dat inspecties van die inrichtingen of terreinen kunnen worden verricht in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage. Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag niet in staat is de toegang tot die inrichtingen of terreinen te waarborgen, dient die Staat die Partij is bij dit Verdrag aan te tonen dat hij alle nodige maatregelen heeft genomen om toegang te verlenen. Deze paragraaf is niet van toepassing indien de te inspecteren inrichtingen of terreinen de Staat die Partij is bij dit Verdrag toebehoren.

Regelingen voor het gebruik van andere vliegtuigen dan lijntoestellen

22.

Wanneer bij inspecties ingevolge artikel IX en bij andere inspecties het inspectieteam niet tijdig op de plaats van bestemming kan aankomen met gebruikmaking van lijnvervoer, kan het nodig zijn dat het inspectieteam gebruik maakt van vliegtuigen die toebehoren aan of zijn gecharterd door het Technisch Secretariaat. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden het Technisch Secretariaat in kennis te stellen van het nummer van de permanente diplomatieke toestemming voor andere vliegtuigen dan lijntoestellen die inspectieteams en voor de inspectie benodigde uitrusting vervoeren naar en van het grondgebied waar een inspectieplaats is gelegen. De vliegroutes naar en van het aangewezen punt van binnenkomst dienen langs vastgelegde internationale luchtwegen te lopen die tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat zijn overeengekomen als grondslag voor bedoelde diplomatieke toestemming.

23.

Wanneer een ander vliegtuig dan een lijntoestel wordt gebruikt, verstrekt het Technisch Secretariaat aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag via de nationale autoriteit een vliegplan voor de vlucht van het vliegtuig vanaf het laatste vliegveld vóór de binnenkomst in het luchtruim van de Staat waarin de inspectieplaats is gelegen tot aan het punt van binnenkomst, zulks ten minste zes uur vóór de geplande tijd van vertrek van dat vliegveld. Bedoeld plan dient te worden ingediend in overeenstemming met de procedures van de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart die gelden voor burgerluchtvaartuigen. Bij vluchten met vliegtuigen die toebehoren aan of zijn gecharterd door het Technisch Secretariaat vermeldt dit in de rubriek „opmerkingen” van elk vliegplan het nummer van de permanente diplomatieke toestemming, alsook de desbetreffende aanduiding aan de hand waarvan het vliegtuig herkenbaar is als inspectievliegtuig.

24.

Ten minste drie uur vóór het geplande vertrek van het inspectieteam van het laatste vliegveld vóór de binnenkomst in het luchtruim van de Staat waarin de inspectie zal plaatsvinden, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Partij die Gaststaat is ervoor te zorgen dat het overeenkomstig paragraaf 23 ingediende vliegplan wordt goedgekeurd, opdat het inspectieteam op de verwachte aankomsttijd op het punt van binnenkomst kan aankomen.

25.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient parkeergelegenheid te bieden en zorg te dragen voor beveiliging, onderhoud en brandstof voor zover benodigd door het Technisch Secretariaat voor het vliegtuig van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, wanneer het vliegtuig toebehoort aan of is gecharterd door het Technisch Secretariaat. Bedoeld vliegtuig is geen landingsrechten, vertrekbelasting en soortgelijke heffingen verschuldigd. Het Technisch Secretariaat draagt de kosten van bedoelde brandstof, beveiliging en onderhoud.

Administratieve regelingen

26.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de voorzieningen die het inspectieteam nodig heeft, zoals communicatiemiddelen, tolkdiensten, voor zover nodig voor het voeren van vraaggesprekken en het verrichten van andere taken, vervoer, werkruimte, onderdak, maaltijden en medische verzorging te leveren of te regelen. Wat dit aangaat, worden de door het inspectieteam gemaakte kosten door de Organisatie aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag vergoed.

Goedgekeurde uitrusting

27.

Behoudens paragraaf 29 kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam geen beperking opleggen met betrekking tot het medebrengen naar de inspectieplaats van uitrusting, die is goedgekeurd in overeenstemming met paragraaf 28, ten aanzien waarvan het Technisch Secretariaat heeft bepaald dat deze noodzakelijk is om aan de inspectievereisten te voldoen. Het Technisch Secretariaat stelt een lijst op, en werkt deze indien nodig bij, van goedgekeurde uitrusting die benodigd kan zijn voor de hierboven beschreven doeleinden, alsook voorschriften inzake die uitrusting, welke in overeenstemming dient te zijn met deze Bijlage. Bij de vaststelling van de lijst van goedgekeurde uitrusting en deze voorschriften ziet het Technisch Secretariaat erop toe dat ten volle rekening wordt gehouden met de veiligheidsoverwegingen voor alle typen inrichtingen waar die uitrusting zou kunnen worden gebruikt. Een lijst van goedgekeurde uitrusting zal worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

28.

De uitrusting wordt bewaard door het Technisch Secretariaat en wordt aangewezen, geijkt en goedgekeurd door het Technisch Secretariaat. Het Technisch Secretariaat kiest, voor zover mogelijk, de uitrusting die specifiek is bedoeld voor de bepaalde soort inspectie waarom is verzocht. Aangewezen en goedgekeurde uitrusting dient uitdrukkelijk te worden beschermd tegen ongeoorloofde verandering.

29.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, zonder afbreuk te doen aan de voorgeschreven tijdsbestekken, de uitrusting te inspecteren in aanwezigheid van leden van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, d.w.z. de aard te controleren van de uitrusting die op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat wordt gebracht of daarvan wordt verwijderd. Ter vergemakkelijking van die controle hecht het Technisch Secretariaat documenten en tekeningen aan de uitrusting ter staving van zijn aanwijzing en goedkeuring. De inspectie van de uitrusting dient tevens ten genoegen van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te bevestigen dat de uitrusting voldoet aan de beschrijving van de goedgekeurde uitrusting voor het bepaalde soort inspectie. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kan uitrusting die niet aan die beschrijving voldoet of uitrusting zonder de bovengenoemde stavingsdocumenten en -tekeningen weren. Procedures voor de inspectie van uitrusting zullen door de Conferentie worden bestudeerd en goedgekeurd overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

30.

Ingeval het inspectieteam het noodzakelijk vindt ter plaatse aanwezige uitrusting te gebruiken die niet toebehoort aan het Technisch Secretariaat, en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verzoekt het team in staat te stellen die uitrusting te gebruiken, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dit verzoek in te willigen voor zover hij dit kan.

D. ACTIVITEITEN VOORAFGAANDE AAN DE INSPECTIE

Kennisgeving

31.

De Directeur-Generaal doet vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst en binnen de voorgeschreven tijdsbestekken, indien aangegeven, kennisgeving aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag van zijn voornemen een inspectie uit te voeren.

32.

De kennisgevingen van de Directeur-Generaal dienen de volgende informatie te bevatten:

  • a.de soort inspectie;

  • b.het punt van binnenkomst;

  • c.de datum en het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst;

  • d.het vervoermiddel bij aankomst op het punt van binnenkomst;

  • e.de te inspecteren plaats;

  • f.de namen van de inspecteurs en inspectie-assistenten;

  • g.indien van toepassing, de toestemming voor vliegtuigen voor bijzondere vluchten.

33.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de ontvangst van een kennisgeving van het Technisch Secretariaat betreffende het voornemen een inspectie te houden uiterlijk één uur na ontvangst van de kennisgeving te bevestigen.

34.

In geval van een inspectie van een inrichting van een Staat die Partij is bij dit Verdrag die is gelegen op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag, worden beide Staten die Partij zijn bij dit Verdrag gelijktijdig in kennis gesteld overeenkomstig de paragrafen 31 en 32.

Binnenkomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat en overbrenging naar de inspectieplaats

35.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat die in kennis is gesteld van de aankomst van een inspectieteam dient de onmiddellijke binnenkomst op zijn grondgebied te verzekeren en door middel van een begeleidingsteam of andere middelen alles in het werk te stellen wat in zijn vermogen ligt om zorg te dragen voor een veilige begeleiding van het inspectieteam en zijn uitrusting en benodigdheden van zijn punt van binnenkomst naar de inspectieplaats(en) en naar een punt van vertrek.

36.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat dient het inspectieteam, indien nodig, te helpen om de inspectieplaats uiterlijk 12 uur na aankomst op het punt van binnenkomst te bereiken.

Briefing vóór de inspectie

37.

Na de aankomst van het inspectieteam op de inspectieplaats en vóór de aanvang van de inspectie dient het inspectieteam door vertegenwoordigers van de inrichting te worden gebrieft met behulp van kaarten en andere documentatie, indien van toepassing, over de inrichting, de aldaar verrichte activiteiten, de veiligheidsmaatregelen en de voor de inspectie benodigde administratieve en logistieke regelingen. De met de briefing gemoeide tijd dient tot het minimum te worden beperkt en mag in geen geval meer bedragen dan drie uur.

E. VERRICHTING VAN DE INSPECTIES

Algemene regels

38.

De leden van het inspectieteam dienen hun taken te vervullen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede met de door de Directeur-Generaal vastgestelde regels en de tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Organisatie gesloten inrichtingsakkoorden.

39.

Het inspectieteam dient zich strikt te houden aan het door de Directeur-Generaal gegeven inspectiemandaat. Het dient zich te onthouden van activiteiten die dit mandaat te buiten gaan.

40.

De activiteiten van het inspectieteam dienen zodanig te worden georganiseerd, dat zorg wordt gedragen voor de tijdige en doeltreffende verrichting van zijn taken, het minst mogelijke ongemak voor de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat en de minst mogelijke hinder voor de geïnspecteerde inrichting of het geïnspecteerde terrein. Het inspectieteam dient onnodige belemmering of vertraging van de werking van een inrichting te voorkomen en aantasting van de veiligheid daarvan te vermijden. Het inspectieteam mag met name geen inrichting in werking stellen. Indien inspecteurs van mening zijn dat ter vervulling van hun mandaat in een inrichting bepaalde handelingen moeten worden verricht, dienen zij de aangewezen vertegenwoordiger van de geïnspecteerde inrichting te verzoeken deze te doen uitvoeren. De vertegenwoordiger dient het verzoek voor zover zulks mogelijk is in te willigen.

41.

Bij de verrichting van hun taken op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of Gaststaat worden de leden van het inspectieteam, indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks verzoekt, vergezeld door vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, maar het inspectieteam mag daardoor geen vertraging ondervinden of anderszins worden gehinderd in de uitoefening van zijn functies.

42.

Door het Technisch Secretariaat worden gedetailleerde procedures ontwikkeld voor de verrichting van inspecties, die worden opgenomen in het inspectiehandboek, rekening houdend met de richtlijnen die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

Veiligheid

43.

Bij de verrichting van hun activiteiten dienen de inspecteurs en inspectie-assistenten de op de inspectieplaats vastgestelde veiligheidsvoorschriften in acht te nemen, met inbegrip van de voorschriften voor de bescherming van gesloten ruimten binnen een inrichting en voor de persoonlijke veiligheid. Om aan deze vereisten te kunnen voldoen, zullen passende gedetailleerde procedures worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

Verbindingen

44.

De inspecteurs hebben het recht zich gedurende de gehele verblijfsperiode in verbinding te stellen met de zetel van het Technisch Secretariaat. Hiertoe kunnen zij gebruik maken van hun eigen, naar behoren in orde bevonden, goedgekeurde uitrusting en kunnen zij verlangen dat de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat hun toegang geeft tot andere telecommunicatiemiddelen. Het inspectieteam heeft het recht zijn eigen systeem voor tweerichtings-radioverkeer te gebruiken voor het contact tussen het personeel dat langs de omtrek patrouilleert en de overige leden van het inspectieteam.

Rechten van het inspectieteam en van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag

45.

Het inspectieteam heeft, in overeenstemming met de desbetreffende artikelen van dit Verdrag en Bijlagen daarbij, alsmede met de inrichtingsakkoorden en de in het inspectiehandboek uiteengezette procedures, het recht op onbelemmerde toegang tot de inspectieplaats. De te inspecteren voorwerpen worden gekozen door de inspecteurs.

46.

De inspecteurs hebben het recht een vraaggesprek te houden met personeelsleden van de inrichting in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, met het doel relevante feiten vast te stellen. De inspecteurs mogen slechts vragen om informatie en gegevens die relevant zijn voor het verrichten van de inspectie, en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient deze informatie te verstrekken wanneer daarom wordt verzocht. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht bezwaar te maken tegen vragen die aan het personeel van de inrichting worden gesteld, indien deze vragen niet relevant voor de inspectie worden geacht. Indien de leider van het inspectieteam daartegen bezwaar maakt en stelt dat zij relevant zijn, worden de vragen schriftelijk aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verstrekt ter beantwoording. Het inspectieteam kan aantekening maken van elke weigering vraaggesprekken toe te staan of toestemming te verlenen voor het beantwoorden van vragen of het geven van toelichting, zulks in het gedeelte van het inspectieverslag dat betrekking heeft op de medewerking van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

47.

De inspecteurs hebben het recht documentatie en dossiers in te zien die zij relevant achten voor het uitvoeren van hun opdracht.

48.

De inspecteurs hebben het recht op hun verzoek foto’s te doen maken door vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of van de geïnspecteerde inrichting. Er dient gelegenheid te zijn tot het maken van direkt-klaar opnamen. De leden van het inspectieteam bepalen of de foto’s overeenkomen met hun wensen; zo niet, dan worden nogmaals foto’s gemaakt. Het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag behouden elk één exemplaar van iedere foto.

49.

De vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag hebben het recht alle door het inspectieteam verrichte verificatie-activiteiten gade te slaan.

50.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag ontvangt op zijn verzoek kopieën van de door het Technisch Secretariaat verzamelde informatie en gegevens met betrekking tot zijn inrichting(en).

51.

De inspecteurs hebben het recht te verzoeken om opheldering met betrekking tot onduidelijkheden die gedurende een inspectie ontstaan. Verzoeken hiertoe worden terstond gedaan via de vertegenwoordiger van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag. De vertegenwoordiger van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam gedurende de inspectie de opheldering te geven die nodig is om de onduidelijkheid weg te nemen. Indien kwesties met betrekking tot een object of gebouw dat is gelegen op de inspectieplaats niet worden opgelost, wordt het object of het gebouw, indien daarom wordt verzocht, gefotografeerd ter verkrijging van opheldering betreffende de aard en de functie daarvan. Indien de onduidelijkheid niet kan worden weggenomen tijdens de inspectie, stellen de inspecteurs het Technisch Secretariaat hiervan onmiddellijk in kennis. De inspecteurs dienen in het inspectieverslag melding te maken van alle onopgeloste vragen, de ter zake gegeven opheldering en één exemplaar van alle gemaakte foto’s bij te voegen.

Het verzamelen, behandelen en analyseren van monsters

52.

De vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of van de geïnspecteerde inrichting nemen op verzoek van het inspectieteam monsters in aanwezigheid van de inspecteurs. Indien zulks van tevoren met de vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de geïnspecteerde inrichting is overeengekomen, kan het inspectieteam zelf monsters nemen.

53.

Indien mogelijk geschiedt het analyseren van de monsters ter plaatse. Het inspectieteam heeft het recht de monsters ter plaatse te analyseren met gebruikmaking van de meegebrachte goedgekeurde uitrusting. Op verzoek van het inspectieteam verleent de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, in overeenstemming met overeengekomen procedures, bijstand bij het analyseren van de monsters ter plaatse. In plaats hiervan kan het inspectieteam ook verzoeken tot de desbetreffende analyse over te gaan in zijn aanwezigheid.

54.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht gedeelten van alle genomen monsters te behouden of extra monsters te nemen en aanwezig te zijn wanneer de monsters ter plaatse worden geanalyseerd.

55.

Indien het inspectieteam zulks noodzakelijk acht, zendt het monsters naar door de Organisatie aangewezen laboratoria ter analysering elders.

56.

De Directeur-Generaal draagt de eerste verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het onaangetast laten en het bewaren van de monsters, alsmede voor de bescherming van het vertrouwelijk karakter van de verzonden monsters ter analysering elders. De Directeur-Generaal handelt in overeenstemming met de procedures die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i, welke zullen worden opgenomen in het inspectiehandboek. Hij dient:

  • a.strenge regels vast te stellen inzake het verzamelen, behandelen, vervoeren en analyseren van monsters;

  • b.de laboratoria goed te keuren die worden aangewezen voor het verrichten van verschillende soorten analyses;

  • c.toe te zien op de normalisatie van apparatuur en procedures in deze aangewezen laboratoria, en van mobiele analyse-apparatuur en procedures, en toezicht te houden op de kwaliteitscontrole en de algemene normen met betrekking tot de goedkeuring van deze laboratoria, mobiele apparatuur en procedures; en

  • d.onder deze aangewezen laboratoria de laboratoria uit te kiezen die analysetaken of andere taken zullen verrichten met betrekking tot specifieke onderzoeken.

57.

Wanneer een analyse elders dient te worden verricht, dienen de monsters te worden geanalyseerd in ten minste twee aangewezen laboratoria. Het Technisch Secretariaat draagt zorg voor een spoedige verrichting van de analyse. Over de monsters wordt verantwoording afgelegd door het Technisch Secretariaat en eventuele ongebruikte monsters of gedeelten daarvan dienen te worden teruggezonden naar het Technisch Secretariaat.

58.

Het Technisch Secretariaat bundelt de resultaten van de laboratoriumanalyse van de monsters die relevant zijn voor de naleving van dit Verdrag en vermeldt deze in het eindverslag van de inspectie. Het Technisch Secretariaat neemt in het verslag gedetailleerde informatie op betreffende de door de aangewezen laboratoria gebruikte apparatuur en gehanteerde methoden.

Verlenging van de duur van de inspectieperiode

59.

Inspectieperioden kunnen krachtens een akkoord met de vertegenwoordiger van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag worden verlengd.

Eindbriefing

60.

Na afloop van een inspectie komt het inspectieteam bijeen met vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het personeel dat voor de inspectieplaats verantwoordelijk is, ten einde de voorlopige bevindingen van het inspectieteam te bespreken en eventuele onduidelijkheden op te helderen. Het inspectieteam verstrekt de vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn voorlopige bevindingen in schriftelijke vorm overeenkomstig een gestandaardiseerd model, te zamen met een lijst van eventuele monsters en kopieën van schriftelijke informatie en gegevens die zijn verzameld en ander materiaal dat van die plaats zal worden meegenomen. Het document dient te worden ondertekend door de leider van het inspectieteam. Ten einde aan te geven dat hij kennis heeft genomen van de inhoud van het document, dient dit te worden medeondertekend door de vertegenwoordiger van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag. Deze bijeenkomst dient uiterlijk 24 uur na afloop van de inspectie te zijn beëindigd.

F. VERTREK

61.

Na beëindiging van de procedures na de inspectie dient het inspectieteam het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat zo spoedig mogelijk te verlaten.

G. VERSLAGEN

62.

Uiterlijk 10 dagen na de inspectie dienen de inspecteurs een zakelijk eindverslag op te stellen van de door hen verrichte activiteiten en hun bevindingen. Het dient alleen feiten te bevatten die relevant zijn voor de naleving van dit Verdrag, zoals is bepaald in het inspectiemandaat. Het verslag dient ook informatie te verschaffen over de wijze waarop de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag medewerking heeft verleend aan het inspectieteam. Afwijkende opmerkingen van inspecteurs kunnen aan het verslag worden gehecht. Het verslag wordt vertrouwelijk behandeld.

63.

Het eindverslag dient onmiddellijk aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden verstrekt. Eventueel schriftelijk commentaar dat de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk geeft naar aanleiding van zijn bevindingen, dient aan het verslag te worden gehecht. Het eindverslag dient uiterlijk 30 dagen na de inspectie te zamen met het aangehechte commentaar van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden ingediend bij de Directeur-Generaal.

64.

Mocht het verslag onduidelijkheden bevatten, of mocht de samenwerking tussen de Nationale Autoriteit en de inspecteurs niet aan de vereiste normen voldoen, dan benadert de Directeur-Generaal de Staat die Partij is bij dit Verdrag voor opheldering.

65.

Indien de onduidelijkheden niet kunnen worden weggenomen of de vastgestelde feiten van dien aard zijn, dat het vermoeden bestaat dat niet is voldaan aan de verplichtingen ingevolge dit Verdrag, stelt de Directeur-Generaal onverwijld de Uitvoerende Raad hiervan in kennis.

H. TOEPASSING VAN DE ALGEMENE BEPALINGEN

66.

De bepalingen van deze Afdeling zijn van toepassing op alle inspecties die ingevolge dit Verdrag worden verricht, behalve indien de bepalingen van deze Afdeling afwijken van de bepalingen voor bepaalde soorten inspecties als vervat in de Afdelingen III tot en met XI van deze Bijlage, in welk geval laatstbedoelde bepalingen voorrang hebben.

AFDELING III. Algemene bepalingen voor verificatiemaatregelen ingevolge de artikelen IV, V en VI, derde lid

A. EERSTE INSPECTIES EN INRICHTINGSAKKOORDEN

1.

Elke opgegeven inrichting die is onderworpen aan inspectie ter plaatse ingevolge de artikelen IV, V en VI, derde lid, dient een eerste inspectie te ondergaan onmiddellijk nadat de inrichting is opgegeven. Deze inspectie van de inrichting heeft tot doel de verstrekte informatie te verifiëren en alle nadere informatie te verkrijgen die nodig is voor de planning van toekomstige verificatie-activiteiten in de inrichting, met inbegrip van inspecties ter plaatse en constante controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, alsmede te werken aan het inrichtingsakkoord.

2.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dienen te waarborgen dat de verificatie van opgaven en het maken van een aanvang met de systematische verificatiemaatregelen door het Technisch Secretariaat kan geschieden in alle inrichtingen, zulks binnen de vastgestelde tijdsbestekken nadat dit Verdrag voor hen in werking is getreden.

3.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient met de Organisatie een inrichtingsakkoord te sluiten voor elke inrichting die is opgegeven en is onderworpen aan inspectie ter plaatse ingevolge de artikelen IV, V en VI, derde lid.

4.

De inrichtingsakkoorden dienen uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden of nadat de inrichting voor de eerste maal is opgegeven, tot stand te zijn gekomen, behalve in geval van een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens waarop de paragrafen 5 tot en met 7 van toepassing zijn.

5.

In geval van een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens die meer dan een jaar nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden, in gebruik wordt genomen, dient het inrichtingsakkoord ten minste 180 dagen voordat de inrichting in gebruik wordt genomen tot stand te zijn gekomen.

6.

In geval van een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens die in gebruik is wanneer dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking treedt, of uiterlijk een jaar daarna in gebruik wordt genomen, dient het inrichtingsakkoord uiterlijk 210 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden, tot stand te zijn gekomen, met dien verstande dat de Uitvoerende Raad kan besluiten dat kan worden volstaan met voorlopige verificatie-akkoorden, goedgekeurd in overeenstemming met Afdeling IV, Titel A, paragraaf 51, van deze Bijlage, die een voorlopig inrichtingsakkoord, bepalingen voor de verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, en het tijdsbestek voor de toepassing van de akkoorden omvatten.

7.

In geval van een inrichting, bedoeld in paragraaf 6, die uiterlijk twee jaar nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden, buiten gebruik wordt gesteld, kan de Uitvoerende Raad besluiten dat kan worden volstaan met voorlopige verificatie-akkoorden, goedgekeurd in overeenstemming met Afdeling IV, Titel A, paragraaf 51, van deze Bijlage, die een voorlopig inrichtingsakkoord, bepalingen voor de verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, en het tijdsbestek voor de toepassing van de akkoorden omvatten.

8.

Inrichtingsakkoorden dienen te zijn gebaseerd op modellen voor die akkoorden en te voorzien in gedetailleerde regelingen betreffende de inspecties in elke inrichting. De modelakkoorden dienen bepalingen te omvatten die rekening houden met toekomstige technologische ontwikkelingen en dienen te worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

9.

Het Technisch Secretariaat kan op elke inspectieplaats een verzegelde houder voor foto’s, tekeningen en andere informatie achterlaten, die het eventueel wenst te raadplegen in de loop van latere inspecties.

B. PERMANENTE REGELINGEN

10.

Indien van toepassing, heeft het Technisch Secretariaat het recht instrumenten en systemen voor constante controle en zegels aan te brengen en deze te gebruiken in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag en de inrichtingsakkoorden tussen de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en de Organisatie.

11.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft in overeenstemming met de overeengekomen procedures het recht elk door het inspectieteam aangebracht of gebruikt instrument te inspecteren en dit te doen testen in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag. Het inspectieteam heeft het recht de instrumenten te gebruiken die door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn aangebracht voor zijn eigen controle van het technologische proces van de vernietiging van chemische wapens. Hiertoe heeft het inspectieteam het recht de instrumenten te inspecteren die het voornemens is te gebruiken ten behoeve van de verificatie van de vernietiging van chemische wapens en deze in zijn aanwezigheid te doen testen.

12.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de nodige voorbereidingen te treffen en de nodige steun te bieden voor de opstelling van instrumenten en systemen voor constante controle.

13.

Met het oog op de uitvoering van de paragrafen 11 en 12 zullen passende gedetailleerde procedures worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, paragraaf 21, letter i.

14.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient onmiddellijk kennisgeving te doen aan het Technisch Secretariaat indien zich in een inrichting waarin controle-instrumenten zijn aangebracht een voorval voordoet of zich kan voordoen dat van invloed kan zijn op het controlessysteem. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de daarna te ondernemen actie met het Technisch Secretariaat te coördineren, ten einde de werking van het controlessysteem te herstellen en zo spoedig mogelijk tijdelijke maatregelen te nemen, indien nodig.

15.

Het inspectieteam dient gedurende elke inspectie te verifiëren of het controlessysteem juist functioneert en of er niet is geknoeid met de aangebrachte zegels. Daarnaast kunnen bezoeken voor onderhoudsbeurten van het controlessysteem noodzakelijk zijn, ten einde noodzakelijk onderhoud te verrichten en apparatuur te vervangen, of, indien noodzakelijk, de door het controlessysteem bestreken zone aan te passen.

16.

Indien het controlessysteem op een onregelmatigheid wijst, onderneemt het Technisch Secretariaat onmiddellijk actie om vast te stellen of deze voortvloeit uit slecht functionerende apparatuur of uit activiteiten in de inrichting. Indien het probleem na dit onderzoek onopgelost blijft, stelt het Technisch Secretariaat zich onmiddellijk op de hoogte van de feitelijke situatie, onder meer, indien noodzakelijk, door middel van een onmiddellijke inspectie ter plaatse van of een bezoek aan de inrichting. Het Technisch Secretariaat meldt een dergelijk probleem onmiddellijk na de ontdekking ervan aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, die dient te helpen bij het oplossen daarvan.

C. ACTIVITEITEN VÓÓR DE INSPECTIE

17.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wordt, behoudens het in paragraaf 18 bepaalde, ten minste 24 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis gesteld van inspecties.

18.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wordt ten minste 72 uur vóór de verwachte aankomsttijd van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis gesteld van eerste inspecties.

AFDELING IV (A). De vernietiging van chemische wapens en de verificatie daarvan ingevolge artikel IV

A. OPGAVEN

Chemische wapens

1.

De opgave van chemische wapens van een Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, onder ii, dient het volgende te omvatten:

  • a.de totale hoeveelheid van elke opgegeven stof;

  • b.de exacte ligging van elke inrichting voor de opslag van chemische wapens, aangeduid met:

    • i.de naam;

    • ii.de geografische coördinaten: en

    • iii.een gedetailleerde plattegrond, met inbegrip van een kaart die de grenzen aangeeft en de ligging van bunkers/opslagruimten in de inrichting.

  • c.De gedetailleerde inventarislijst van elke inrichting voor de opslag van chemische wapens, met inbegrip van:

    • i.de stoffen die volgens de begripsomschrijving van artikel II als chemische wapens worden aangemerkt;

    • ii.ongevulde munitie, submunitie, andere inzetmiddelen en uitrusting die als chemische wapens worden aangemerkt;

    • iii.uitrusting die specifiek is ontworpen voor rechtstreeks met de aanwending van munitie, submunitie, andere inzetmiddelen of uitrusting als genoemd onder ii, verband houdend gebruik;

    • iv.stoffen die specifiek zijn bestemd voor rechtstreeks met de aanwending van munitie, submunitie, andere inzetmiddelen of uitrusting, als genoemd onder ii, verband houdend gebruik.

2.

Voor opgaven van in paragraaf 1, letter c, onder i, bedoelde stoffen geldt het volgende:

  • a.de stoffen dienen te worden opgegeven in overeenstemming met de in de Bijlage inzake stoffen vermelde Lijsten van stoffen;

  • b.voor een niet in de Lijsten in de Bijlage inzake stoffen vermelde stof dient de benodigde informatie te worden verstrekt om de stof te kunnen opnemen in de desbetreffende lijst, met inbegrip van de toxiciteit van de zuivere verbinding. Voor een voorloper dienen de toxiciteit en de aanduiding van het (de) voornaamste definitieve reactieprodukt(en) te worden vermeld;

  • c.stoffen dienen te worden aangeduid met de chemische benaming in overeenstemming met de huidige nomenclatuur van de International Union of Pure and Applied Chemistry (IUPAC), de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend. Voor een voorloper dienen de toxiciteit en de aanduiding van het (de) voornaamste definitieve reactieprodukt(en) te worden vermeld;

  • d.in geval van mengsels van twee of meer stoffen dient elke stof te worden aangeduid, onder vermelding van het percentage van elk daarvan, en dient het mengsel te worden opgegeven in de categorie van de stof met de hoogste toxiciteit. Indien een bestanddeel van een binair chemisch wapen bestaat uit een mengsel van twee of meer stoffen, dient elke stof te worden aangeduid, onder vermelding van het percentage van elk daarvan;

  • ebinaire chemische wapens dienen te worden opgegeven onder het desbetreffende eindprodukt in het kader van de in paragraaf 16 genoemde categorieën chemische wapens. Voor elk type binaire chemische munitie/andere inzetmiddelen dient de volgende informatie te worden verstrekt:

    • i.de chemische benaming van het toxische eindprodukt;

    • ii.de chemische samenstelling en hoeveelheid van elk bestanddeel;

    • iii.de feitelijke gewichtsverhouding tussen de bestanddelen;

    • iv.welk bestanddeel wordt beschouwd als hoofdbestanddeel;

    • v.de verwachte hoeveelheid van het toxische eindprodukt, op stoichiometrische wijze berekend op basis van het hoofdbestanddeel, uitgaande van een rendement van 100%. Een opgegeven hoeveelheid (in tonnen) van het hoofdbestanddeel dat is bedoeld voor een bepaald toxisch eindprodukt wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid (in tonnen) van dit toxische eindprodukt die op stoichiometrische wijze is berekend, uitgaande van een rendement van 100%;

  • f.voor chemische wapens met verscheidene bestanddelen dient de opgave analoog te zijn aan die welke is voorzien voor binaire chemische wapens;

  • g.voor elke stof dient de wijze van opslag te worden opgegeven, d.w.z. in de vorm van munitie, submunitie, andere inzetmiddelen, uitrusting of buikhouders en andere houders. Voor elke wijze van opslag dient het volgende te worden vermeld:

    • i.het type;

    • ii.de grootte of het kaliber;

    • iii.het aantal exemplaren; en

    • iv.het nominale gewicht van de chemische lading per exemplaar.

  • h.voor elke stof dient het totale gewicht te worden opgegeven dat in een inrichting voor opslag aanwezig is;

  • i.daarnaast dient voor alle in bulk opgeslagen stoffen het zuiverheidspercentage te worden opgegeven, indien bekend.

3.

Voor elk type ongevulde munitie, submunitie, andere inzetmiddelen of uitrusting, bedoeld in paragraaf 1, letter c, onder ii, dient de informatie het volgende te omvatten:

  • a.het aantal exemplaren;

  • b.het nominale volume van de lading per exemplaar;

  • c.de daarvoor bestemde chemische lading.

Opgaven van chemische wapens ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, onder iii

4.

De opgave van chemische wapens ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, onder iii, dient alle in de paragrafen 1 tot en met 3 hierboven genoemde informatie te omvatten. Het is de verantwoordelijkheid van de Staat die Partij is bij dit Verdrag op het grondgebied waarvan de chemische wapens zich bevinden, om passende regelingen te treffen met de andere Staat om te waarborgen dat de opgaven worden gedaan. Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag op het grondgebied waarvan de chemische wapens zich bevinden niet in staat is zijn verplichtingen ingevolge deze paragraaf na te komen, dient deze de redenen daarvoor aan te geven.

Opgaven van overdrachten en ontvangsten in het verleden

5.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die sinds 1 januari 1946 chemische wapens heeft overgedragen of ontvangen, dient deze overdrachten of ontvangsten op te geven overeenkomstig artikel III, eerste lid, letter a, onder iv, mits de overgedragen of ontvangen hoeveelheid groter is dan 1 ton per stof per jaar, in bulk en/of in de vorm van munitie. Deze opgave dient te geschieden overeenkomstig het inventarisatiemodel bedoeld in de paragrafen 1 en 2. In deze opgave dienen ook te worden vermeld de leverende en ontvangende landen, de data van die overdrachten of ontvangsten en, zo nauwkeurig mogelijk, de huidige vindplaats van de overgedragen exemplaren. Wanneer niet alle genoemde informatie betreffende overdrachten of ontvangsten van chemische wapens in de periode tussen 1 januari 1946 en 1 januari 1970 beschikbaar is, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag de informatie die nog wel beschikbaar is op te geven en toe te lichten waarom hij geen volledige opgave kan indienen.

Indiening van een algemeen plan voor de vernietiging van chemische wapens

6.

Het ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, onder v, ingediende algemene plan voor de vernietiging van chemische wapens dient een overzicht te geven van het gehele nationale programma voor de vernietiging van chemische wapens van de Staat die Partij is bij dit Verdrag, alsook informatie over de inspanningen van de Staat die Partij is bij dit Verdrag ter nakoming van de in dit Verdrag vervatte vernietigingsverplichtingen. In het plan dient te worden vermeld:

  • a.een algemeen vernietigingsschema, met vermelding van typen en hoeveelheden, bij benadering, van chemische wapens die volgens de planning zullen worden vernietigd in elke jaarlijkse vernietigingsperiode per bestaande inrichting voor de vernietiging van chemische wapens en, indien mogelijk, per geplande inrichting voor de vernietiging van chemische wapens;

  • b.het aantal bestaande of geplande inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens dat in de vernietigingsperiode in werking zal zijn;

  • c.voor elke bestaande of geplande inrichting voor de vernietiging van chemische wapens:

    • i.de naam en de ligging, en

    • ii.de typen en de hoeveelheden, bij benadering, van de te vernietigen chemische wapens, alsook het type (bijvoorbeeld zenuwgas of blaartrekkend middel) en de hoeveelheid, bij benadering, van de te vernietigen chemische lading;

  • d.de plannen en programma’s betreffende de opleiding van personeel dat de vernietigingsinrichtingen bedient;

  • e.de nationale veiligheids- en emissienormen waaraan de vernietigingsinrichtingen moeten voldoen;

  • f.informatie over de ontwikkeling van nieuwe methoden voor de vernietiging van chemische wapens en de verbetering van bestaande methoden;

  • g.de kostenramingen voor de vernietiging van chemische wapens; en

  • h.eventuele kwesties die het nationale vernietigingsprogramma nadelig zouden kunnen beïnvloeden.

B. MAATREGELEN TER BEVEILIGING VAN DE OPSLAGINRICHTING EN VOORBEREIDING VAN DE OPSLAGINRICHTING

7.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient, niet later dan het tijdstip van indiening van zijn opgave van chemische wapens, de maatregelen te nemen die hij passend acht ter beveiliging van zijn opslaginrichtingen en dient te voorkomen dat zijn chemische wapens uit de inrichtingen worden gehaald, behoudens verwijdering met het oog op vernietiging.

8.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient er zorg voor te dragen dat de chemische wapens in zijn opslaginrichtingen zodanig zijn opgesteld, dat deze gemakkelijk toegankelijk zijn voor een verificatie in overeenstemming met de paragrafen 37 tot en met 49.

9.

Zolang een opslaginrichting gesloten is om te voorkomen dat chemische wapens uit inrichting worden gehaald anders dan met het oog op vernietiging, mag een Staat die Partij is bij dit Verdrag standaard-onderhoudswerkzaamheden aan de inrichting voortzetten, waaronder standaard-onderhoud van chemische wapens, beveiligings- en controleactiviteiten en de gereedmaking van de chemische wapens voor de vernietiging.

10.

Onderhoudswerkzaamheden met betrekking tot chemische wapens mogen niet omvatten;

  • a.het vervangen van het agens of de munitieomhulsels;

  • b.het veranderen van de oorspronkelijke eigenschappen van de munitie, of van onderdelen dan wel bestanddelen daarvan.

11.

Alle onderhoudswerkzaamheden zijn onderworpen aan toezicht door het Technisch Secretariaat.

C. VERNIETIGING

Beginselen voor en wijzen van vernietiging van chemische wapens

12.

Onder „vernietiging van chemische wapens” wordt verstaan een proces waarin stoffen op een in wezen onomkeerbare wijze worden omgezet in een vorm die niet geschikt is voor de produktie van chemische wapens en waardoor munitie en andere inzetmiddelen op onomkeerbare wijze als zodanig onbruikbaar worden gemaakt.

13.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te bepalen hoe hij chemische wapens zal vernietigen, met dien verstande dat zulks niet op de volgende wijzen mag geschieden: storten in enig oppervlaktewater, begraven in de bodem of open verbranding. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient chemische wapens uitsluitend te vernietigen in speciaal daartoe aangewezen en deugdelijk ontworpen en uitgeruste inrichtingen.

14.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient erop toe te zien dat zijn inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens worden gebouwd en werken op een wijze die de vernietiging van chemische wapens waarborgt, en dat het vernietigingsproces kan worden geverifieerd overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

Volgorde van de vernietiging

15.

De volgorde van de vernietiging van chemische wapens is gebaseerd op de verplichtingen als genoemd in artikel I en de andere artikelen, waaronder verplichtingen met betrekking tot systematische verificatie ter plaatse. Daarbij wordt rekening gehouden met het belang dat Staten die Partij zijn bij dit Verdrag hebben bij onverminderde veiligheid gedurende de vernietigingsperiode, het wekken van vertrouwen in het eerste deel van de vernietigingsfase, het geleidelijk opdoen van ervaring in de loop van de vernietiging van chemische wapens, en de toepasbaarheid, ongeacht de feitelijke samenstelling van de voorraden en de gekozen wijzen van vernietiging van de chemische wapens. De volgorde van de vernietiging is gebaseerd op het beginsel van gelijkmatig afbouwen.

16.

Met het oog op de vernietiging worden de door elke Staat die Partij is bij dit Verdrag opgegeven chemische wapens verdeeld in drie categorieën:

Categorie 1:

Chemische wapens op basis van de in Lijst 1 genoemde stoffen en onderdelen dan wel bestanddelen daarvan;

Categorie 2:

Chemische wapens op basis van alle andere stoffen en onderdelen dan wel bestanddelen daarvan;

Categorie 3:

Ongevulde munitie en andere inzetmiddelen, en uitrusting die specifiek is ontworpen voor rechtstreeks met de aanwending van chemische wapens verband houdend gebruik.

17.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient:

  • a.met de vernietiging van de chemische wapens van Categorie 1 te beginnen uiterlijk twee jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden en dient de vernietiging uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te hebben voltooid. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de chemische wapens te vernietigen in overeenstemming met de volgende tijdslimieten:

    • i.Fase 1: Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag dient de beproeving van zijn eerste vernietigingsinrichting te zijn voltooid. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag dient ten minste 1 procent van de chemische wapens van Categorie 1 te zijn vernietigd;

    • ii.Fase 2: Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag dient ten minste 20 procent van de chemische wapens van Categorie 1 te zijn vernietigd;

    • iii.Fase 3: Uiterlijk zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag dient ten minste 45 procent van de chemische wapens van Categorie 1 te zijn vernietigd;

    • iv.Fase 4: Uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag dienen alle chemische wapens van Categorie 1 te zijn vernietigd.

  • b.met de vernietiging van de chemische wapens van Categorie 2 te beginnen uiterlijk één jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden en dient de vernietiging uiterlijk vijfjaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te hebben voltooid. De chemische wapens van Categorie 2 dienen in gelijke, over de gehele vernietigingsperiode verspreide, jaarlijkse hoeveelheden te worden vernietigd. De vergelijkingsfactor voor deze wapens is het gewicht van de stoffen in Categorie 2; en

  • c.met de vernietiging van in chemische wapens in Categorie 3 te beginnen uiterlijk één jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden en dient de vernietiging uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te hebben voltooid. De chemische wapens van Categorie 3 dienen in gelijke, over de gehele vernietigingsperiode verspreide, jaarlijkse hoeveelheden te worden vernietigd. De vergelijkingsfactor bij ongevulde munitie en andere inzetmiddelen wordt uitgedrukt in het nominale volume van de lading (m3) en bij uitrusting in het aantal exemplaren.

18.

Voor de vernietiging van binaire chemische wapens geldt het volgende:

  • a.met het oog op de volgorde van de vernietiging, wordt een opgegeven hoeveelheid (in tonnen) van het hoofdbestanddeel dat is bedoeld voor een bepaald toxisch eindprodukt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid (in tonnen) van dit eindprodukt die op stoichiometrische wijze is berekend, uitgaande van een rendement van 100%;

  • b.de verplichting om een bepaalde hoeveelheid van het hoofdbestanddeel te vernietigen brengt de verplichting met zich mede om een overeenkomstige hoeveelheid van het andere bestanddeel te vernietigen, berekend op basis van de feitelijke gewichtsverhouding van de bestanddelen van het desbetreffende type binaire chemische munitie/ andere inzetmiddelen.

  • c.indien van het andere bestanddeel meer is opgegeven dan benodigd is, gebaseerd op de feitelijke gewichtsverhouding tussen de bestanddelen, wordt het overschot vernietigd in de eerste twee jaar na het begin van de vernietigingsactiviteiten;

  • d.aan het einde van elk daarop volgend jaar waarin wordt vernietigd, mag een Staat die Partij is bij dit Verdrag een hoeveelheid van het andere opgegeven bestanddeel behouden, welke wordt bepaald op basis van de feitelijke gewichtsverhouding van de bestanddelen van het desbetreffende type binaire chemische munitie/andere inzetmiddelen.

19.

Voor chemische wapens met verscheidene bestanddelen is de volgorde van de vernietiging analoog aan die welke is voorzien voor binaire chemische wapens.

Wijziging van tussentijdse tijdslimieten

20.

De Uitvoerende Raad bestudeert de algemene plannen voor de vernietiging van chemische wapens, ingediend ingevolge artikel III, eerste lid, letter a, onder v, en in overeenstemming met paragraaf 6, onder andere om te beoordelen of deze in overeenstemming zijn met de volgorde van de vernietiging als genoemd in de paragrafen 15 tot en met 19. De Uitvoerende Raad pleegt overleg met elke Staat die Partij is bij dit Verdrag waarvan het plan niet in overeenstemming is, ten einde het plan in overeenstemming te brengen.

21.

Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag wegens bijzondere omstandigheden waarop hij geen invloed heeft, meent dat hij het vernietigingsniveau, genoemd voor Fase 1, 2 of 3 in de volgorde van de vernietiging van chemische wapens van Categorie 1, niet kan bereiken, kan hij wijzigingen in die tijdslimieten voorstellen. Dit voorstel dient uiterlijk 120 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag te worden gedaan en dient een gedetailleerde verklaring van de redenen voor het voorstel te omvatten.

22.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alle noodzakelijke maatregelen te nemen om zorg te dragen voor de vernietiging van de chemische wapens van Categorie 1 in overeenstemming met de in paragraaf 17, letter a, genoemde tijdslimieten voor de vernietiging, zoals gewijzigd ingevolge paragraaf 21. Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag evenwel van oordeel is dat hij niet in staat is zorg te dragen voor de vernietiging van het percentage chemische wapens van Categorie 1 dat bij een tussentijdse tijdslimiet is vereist, kan hij de Uitvoerende Raad verzoeken de Conferentie aan te bevelen een verlenging van de desbetreffende termijn toe te staan. Dit verzoek dient ten minste 180 dagen voor de tussentijdse tijdslimiet te worden gedaan en dient een gedetailleerde verklaring van de redenen voor het verzoek te omvatten, te zamen met de plannen van de Staat die Partij is bij dit Verdrag om ervoor te zorgen dat hij wel in staat is te voldoen aan de eerstvolgende tussentijdse tijdslimiet.

23.

Indien een verlenging wordt toegestaan, is een Staat die Partij is bij dit Verdrag nog altijd verplicht te voldoen aan de cumulatieve vereisten ter zake van de vernietiging die zijn bepaald voor de eerstvolgende tijdslimiet. Verlengingen ingevolge deze Titel houden geenszins een wijziging in van de verplichting van de Staat die Partij is bij dit Verdrag om binnen ten hoogste 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag alle chemische wapens van Categorie 1 te vernietigen.

Verlenging van de termijn voor de voltooiing van de vernietiging

24.

Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag meent dat hij niet in staat is zorg te dragen voor de vernietiging van alle chemische wapens van Categorie 1 binnen ten hoogste 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan hij bij de Uitvoerende Raad een verzoek om verlenging van de termijn voor de voltooiing van de vernietiging van die chemische wapens indienen. Dit verzoek dient uiterlijk negen jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te worden gedaan.

25.

Het verzoek dient te omvatten:

  • a.de duur van de voorgestelde verlenging;

  • b.een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de voorgestelde verlenging;

  • c.een gedetailleerd plan voor de vernietiging gedurende de voorgestelde verlenging en het resterende deel van de oorspronkelijke vernietigingsperiode van 10 jaar.

26.

Een besluit inzake het verzoek wordt door de Conferentie genomen op haar eerstvolgende vergadering, op grond van de aanbeveling van de Uitvoerende Raad. Een verlenging dient tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven, doch de termijn waarbinnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn vernietiging van alle chemische wapens moet voltooien, mag in geen geval worden verlengd tot een tijdstip dat later valt dan 15 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. De Uitvoerende Raad stelt voorwaarden voor het toestaan van de verlenging vast, met inbegrip van de specifieke verificatiemaatregelen die noodzakelijk worden geacht, alsmede specifieke stappen die de Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te ondernemen om problemen in zijn vernietigingsprogramma te verhelpen. De kosten van de verificatie gedurende de verlengingsperiode worden verdeeld in overeenstemming met artikel IV, zestiende lid.

27.

Indien een verlenging wordt toegestaan, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag passende maatregelen te nemen om aan alle volgende tijdslimieten te voldoen.

28.

De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient door te gaan met de indiening van gedetailleerde jaarplannen voor de vernietiging in overeenstemming met paragraaf 29 en jaarverslagen inzake de vernietiging van chemische wapens van Categorie 1 in overeenstemming met paragraaf 36 totdat alle chemische wapens van Categorie 1 zijn vernietigd. Bovendien dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag gedurende de verlengingsperiode uiterlijk aan het einde van elk tijdvak van 90 dagen aan de Uitvoerende Raad verslag uit te brengen over zijn vernietigingsactiviteiten. De Uitvoerende Raad toetst de geboekte vooruitgang op de weg naar voltooiing van de vernietiging en neemt de nodige maatregelen om bewijs van deze vooruitgang te verkrijgen. Op verzoek wordt alle informatie betreffende de vernietigingsactiviteiten gedurende de verlengingsperiode door de Uitvoerende Raad aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verstrekt.

Gedetailleerde jaarplannen voor de vernietiging

29.

Ten minste 60 dagen voordat elke jaarlijkse vernietigingsperiode begint, dienen gedetailleerde jaarplannen voor de vernietiging te worden ingediend bij het Technisch Secretariaat overeenkomstig artikel IV, zevende lid, letter a, waarin dient te worden vermeld:

  • a.de hoeveelheid van elk afzonderlijk type chemische wapens dat in elke vernietigingsinrichting zal worden vernietigd en de datum waarop de vernietiging van elk afzonderlijk type chemische wapens zal zijn voltooid;

  • b.de gedetailleerde plattegrond van elke inrichting voor de vernietiging van chemische wapens en eventuele wijzigingen op eerder ingediende plattegronden; en

  • c.het gedetailleerde overzicht van de activiteiten per inrichting voor de vernietiging van chemische wapens in het komende jaar, met vermelding van de tijd benodigd voor het ontwerpen, bouwen of veranderen van de inrichting, het plaatsen en controleren van de apparatuur, het inwerken van het bedieningspersoneel, de vernietigingsactiviteiten per afzonderlijk type chemische wapens en de geplande perioden waarin de inrichting niet werkt.

30.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient voor al zijn inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens gedetailleerde informatie betreffende de inrichting te verstrekken ten einde het Technisch Secretariaat te helpen bij het ontwikkelen van voorbereidende inspectieprocedures die in de inrichting zullen worden gebruikt.

31.

De gedetailleerde informatie betreffende elke vernietigingsinrichting dient de volgende informatie te omvatten:

  • a.naam, adres en ligging;

  • b.gedetailleerde, van een legenda voorziene, tekeningen van de inrichting;

  • c.bouwtekeningen van de inrichting, tekeningen van het procédé en van het buizenstelsel en de bouwtekeningen van de instrumentatie;

  • d.gedetailleerde technische beschrijvingen, met inbegrip van bouwtekeningen en specificaties van de instrumenten, van de apparatuur die nodig is voor: het verwijderen van de lading uit de munitie, andere inzetmiddelen en houders, de tijdelijke opslag van daaruit afkomstige chemische lading; de vernietiging van het chemische agens; en de vernietiging van de munitie, andere inzetmiddelen en houders;

  • e.gedetailleerde technische beschrijvingen van het vernietigingsprocédé, met inbegrip van doorlooptijd, temperatuur en druk, en het verwachte resultaat van de vernietiging;

  • f.de geplande capaciteit voor elk afzonderlijk type chemisch wapen;

  • g.een gedetailleerde beschrijving van hetgeen wat na de vernietiging overblijft en de wijze waarop men zich uiteindelijk daarvan ontdoet;

  • h.een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen ter vergemakkelijking van inspecties in overeenstemming met dit Verdrag;

  • i.een gedetailleerde beschrijving van alle tijdelijke bewaarplaatsen bij de vernietigingsinrichting die worden gebruikt om chemische wapens rechtstreeks af te leveren bij de vernietigingsinrichting, te zamen met plattegronden en informatie over de opslagcapaciteit voor elk afzonderlijk type chemische wapens dat in de inrichting zal worden vernietigd;

  • j.een gedetailleerde beschrijving van de in de inrichting van kracht zijnde maatregelen inzake veiligheid en gezondheid;

  • k.een gedetailleerde beschrijving van de huisvesting en de werkruimten voor de inspecteurs; en

  • l.voorgestelde maatregelen voor internationale verificatie.

32.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient voor al zijn inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens te verstrekken: de bedieningshandleidingen, de plannen inzake veiligheid en gezondheid, de handleidingen voor laboratoriumverrichtingen en de kwaliteitsverzekering en -controle, alsook de verkregen milieuvergunningen, met dien verstande dat deze geen betrekking mogen hebben op in het verleden geleverd materiaal.

33.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat terstond in kennis te stellen van eventuele ontwikkelingen die van invloed zouden kunnen zijn op inspectie-activiteiten in zijn vernietigingsinrichtingen.

34.

De termijnen voor de indiening van de in de paragrafen 30 tot en met 32 genoemde informatie zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

35.

Na beoordeling van de gedetailleerde informatie betreffende elke vernietigingsinrichting pleegt het Technisch Secretariaat, indien daartoe aanleiding bestaat, overleg met de betrokken Staat die Partij is bij dit Verdrag, ten einde zich ervan te vergewissen dat zijn inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens zodanig van ontwerp zijn dat deze geschikt zijn voor het vernietigen van chemische wapens, alsook een tijdschema voor de toepassing van de verificatiemaatregelen te kunnen maken en zich ervan te vergewissen dat de toepassing van de verificatiemaatregelen verenigbaar is met de goede werking van de inrichting en dat het functioneren van de inrichting een passende verificatie mogelijk maakt.

Jaarverslagen inzake de vernietiging

36.

Informatie betreffende de uitvoering van de plannen voor de vernietiging van chemische wapens dient uiterlijk 60 dagen na het einde van elke jaarlijkse vernietigingsperiode te worden ingediend bij het Technisch Secretariaat overeenkomstig artikel IV, zevende lid, letter b, en dient de feitelijke hoeveelheden aan te geven van de chemische wapens die in het voorafgaande jaar in elke vernietigingsinrichting werden vernietigd. Indien van toepassing, dienen de redenen voor het niet halen van het gestelde doel met betrekking tot de vernietiging te worden vermeld.

D. VERIFICATIE

Verificatie van de opgaven van chemische wapens door middel van inspectie ter plaatse

37.

De verificatie van de opgaven van chemische wapens heeft tot doel de juistheid van de desbetreffende ingevolge artikel III overgelegde opgaven te bevestigen door middel van inspectie ter plaatse.

38.

De inspecteurs verrichten deze verificatie onmiddellijk nadat een opgave is ingediend. Zij verifiëren, onder meer, de hoeveelheid en de aard van de stoffen en het type en aantal van de munitie, andere inzetmiddelen en andere uitrusting.

39.

De inspecteurs mogen, indien van toepassing, overeengekomen zegels, markeringsmiddelen of andere procedures voor de controle van een inventaris gebruiken ter vergemakkelijking van een nauwkeurige inventarisatie van de chemische wapens in elke opslaginrichting.

40.

Naar gelang de inventarisatie vordert, mogen de inspecteurs de overeengekomen zegels aanbrengen die nodig zijn om duidelijk aan te geven of er voorraden zijn verwijderd en te verzekeren dat de opslaginrichting gedurende de inventarisatie afgesloten is. Na afloop van de inventarisatie dienen deze zegels te worden verwijderd, tenzij anders is overeengekomen.

Systematische verificatie van de opslaginrichtingen

41.

De systematische verificatie van de opslaginrichtingen heeft tot doel te verzekeren dat er geen chemische wapens uit die inrichtingen worden verwijderd zonder dat zulks wordt opgemerkt.

42.

De systematische verificatie dient zo spoedig mogelijk nadat de opgave van chemische wapens is ingediend aanvang te nemen en voort te duren totdat alle chemische wapens uit de opslaginrichting zijn verwijderd. Zij dient in overeenstemming te zijn met het inrichtingsakkoord en dient de inspectie ter plaatse en de controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten te combineren.

43.

Wanneer alle chemische wapens uit de opslaginrichting zijn verwijderd, bevestigt het Technisch Secretariaat de daartoe strekkende verklaring van de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Na deze bevestiging beëindigt het Technisch Secretariaat de systematische verificatie van de opslaginrichting en verwijdert het onmiddellijk alle door de inspecteurs opgestelde controle-instrumenten.

Inspecties en bezoeken

44.

De bepaalde opslaginrichting die zal worden geïnspecteerd, wordt op zodanige wijze door het Technisch Secretariaat gekozen, dat het onmogelijk is te voorspellen wanneer precies de inrichting zal worden geïnspecteerd. De richtlijnen voor de vaststelling van de frequentie van systematische inspecties zullen worden uitgewerkt door het Technisch Secretariaat, rekening houdend met de aanbevelingen die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

45.

Het Technisch Secretariaat stelt de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag in kennis van zijn besluit om de opslaginrichting te inspecteren of te bezoeken, zulks 48 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam bij de inrichting voor systematische inspecties of bezoeken. In geval van inspecties of bezoeken ter oplossing van dringende vraagstukken kan deze termijn worden bekort. Het Technisch Secretariaat geeft het doel van de inspectie of het bezoek aan.

46.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de aankomst van de inspecteurs en dient zorg te dragen voor hun spoedige overbrenging van het punt van binnenkomst naar de opslaginrichting. In het inrichtingsakkoord dienen administratieve regelingen voor inspecteurs te zijn vermeld.

47.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam na aankomst bij de inrichting voor de opslag van chemische wapens ter verrichting van een inspectie de volgende gegevens betreffende de inrichting te verstrekken:

  • a.het aantal opslagloodsen en -plaatsen;

  • b.voor elke opslagloods en -plaats, het type en het nummer of de aanduiding als vermeld op de plattegrond; en

  • c.voor elke opslagloods en -plaats, het aantal stuks van elk afzonderlijk type chemische wapens en, voor houders die geen deel uitmaken van binaire munitie, de feitelijke hoeveelheid van de chemische lading per houder.

48.

Bij de uitvoering van de inventarisatie, binnen de beschikbare tijd, hebben de inspecteurs het recht:

  • a.een van de volgende inspectietechnieken toe te passen:

    • i.inventarisatie van alle chemische wapens die in de inrichting zijn opgeslagen;

    • ii.inventarisatie van alle chemische wapens die zijn opgeslagen in bepaalde loodsen of op bepaalde plaatsen in de inrichting, te kiezen door de inspecteurs; of

    • iii.inventarisatie van alle chemische wapens van een of verscheidene bepaalde typen die in de inrichting zijn opgeslagen, te kiezen door de inspecteurs; en

  • b.alle geïnventariseerde voorwerpen te controleren aan de hand van overeengekomen lijsten.

49.

De inspecteurs hebben, in overeenstemming met de inrichtingsakkoorden:

  • a.onbelemmerde toegang tot alle delen van de opslaginrichtingen, met inbegrip van alle daar aanwezige munitie, andere inzetmiddelen, buikhouders of andere houders. Bij de verrichting van hun activiteiten dienen de inspecteurs de in de inrichting geldende veiligheidsvoorschriften in acht te nemen. De door de inspecteurs te inspecteren voorwerpen, worden door de inspecteurs gekozen; en

  • b.het recht, gedurende de eerste inspectie en latere inspecties van elke inrichting voor de opslag van chemische wapens, munitie, andere inzetmiddelen en houders aan te wijzen waaruit monsters worden genomen en op deze munitie, andere inzetmiddelen en houders een apart label aan te brengen, dat elke poging dit label te verwijderen of te veranderen zichtbaar maakt. Van elk gelabeld voorwerp in een inrichting voor de opslag van chemische wapens of een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens wordt ten spoedigste een monster genomen zodra dit mogelijk is in overeenstemming met het desbetreffende vernietigingsprogramma en, in elk geval, vóór het einde van de vernietigingsactiviteiten.

Systematische verificatie van de vernietiging van chemische wapens

50.

De verificatie van de vernietiging van chemische wapens heeft tot doel:

  • a.de aard en de hoeveelheid van de te vernietigen voorraden van chemische wapens te bevestigen; en

  • b.te bevestigen dat deze voorraden zijn vernietigd.

51.

Activiteiten betreffende de vernietiging van chemische wapens gedurende de eerste 390 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag worden geregeld in voorlopige verificatie-akkoorden. Deze akkoorden, met inbegrip van een voorlopig inrichtingsakkoord, bepalingen voor verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, alsook het tijdsbestek voor de toepassing van de akkoorden, worden tussen de Organisatie en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag overeengekomen. Deze akkoorden dienen uiterlijk 60 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag door de Uitvoerende Raad te worden goedgekeurd, rekening houdend met de aanbevelingen van het Technisch Secretariaat, welke dienen te zijn gebaseerd op een evaluatie van de overeenkomstig paragraaf 31 verstrekte gedetailleerde informatie betreffende de inrichting en een bezoek aan de inrichting. De Uitvoerende Raad stelt op zijn eerste vergadering richtlijnen voor die voorlopige verificatie-akkoorden vast op basis van aanbevelingen die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i. De voorlopige verificatie-akkoorden zijn bedoeld ter verificatie, gedurende de gehele overgangsperiode, van de vernietiging van chemische wapens in overeenstemming met het in paragraaf 50 verwoorde doel, en ter voorkoming van belemmering van vernietigingsactiviteiten die gaande zijn.

52.

De bepalingen van de paragrafen 53 tot en met 61 zijn van toepassing op activiteiten betreffende de vernietiging van chemische wapens die ten vroegste 390 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag een aanvang moeten nemen.

53.

Op basis van dit Verdrag en de gedetailleerde informatie betreffende de vernietigingsinrichting en, naar gelang het geval, op grond van de ervaring die bij eerdere inspecties is opgedaan, stelt het Technisch Secretariaat een ontwerp-plan op voor het inspecteren van de vernietiging van chemische wapens in elke vernietigingsinrichting. Het plan dient ten minste 270 dagen voordat in de inrichting met vernietigingsactiviteiten ingevolge dit Verdrag wordt begonnen, te zijn afgerond en aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden verstrekt voor commentaar. Verschillen van mening tussen het Technisch Secretariaat en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dienen te worden opgelost door middel van overleg. Een eventuele onopgeloste aangelegenheid wordt voorgelegd aan de Uitvoerende Raad, opdat deze passende stappen onderneemt ter vergemakkelijking van de volledige uitvoering van dit Verdrag.

54.

Het Technisch Secretariaat brengt ten minste 240 dagen voordat in elke inrichting voor de vernietiging van chemische wapens met vernietigingsactiviteiten ingevolge dit Verdrag wordt begonnen een eerste bezoek aan elke vernietigingsinrichting van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, ten einde zich vertrouwd te maken met de inrichting en te beoordelen of het inspectieplan adequaat is.

55.

In geval van een bestaande inrichting waar reeds een aanvang is gemaakt met de vernietiging van chemische wapens is de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag niet verplicht de inrichting te ontsmetten voordat het Technisch Secretariaat een eerste bezoek aflegt. De duur van het bezoek mag niet langer zijn dan vijf dagen en het aantal bezoekers mag niet groter zijn dan 15.

56.

De overeengekomen gedetailleerde plannen voor de verificatie worden, te zamen met een ter zake dienende aanbeveling van het Technisch Secretariaat, ter beoordeling voorgelegd aan de Uitvoerende Raad. De Uitvoerende Raad beoordeelt de plannen met het oog op goedkeuring, in overeenstemming met de doelstellingen van de verificatie en de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag. Hij dient tevens te bevestigen dat de verificatieschema’s voor de vernietiging in overeenstemming zijn met de streefdoelen van de verificatie en dat deze efficiënt en praktisch zijn. Deze beoordeling dient ten minste 180 dagen voor de aanvang van de vernietigingsperiode te zijn voltooid.

57.

Elk lid van de Uitvoerende Raad kan overleg plegen met het Technisch Secretariaat over aangelegenheden betreffende de adequaatheid van het verificatieplan. Indien geen van de leden van de Uitvoerende Raad, daartegen bezwaar maakt, treedt het plan in werking.

58.

Indien er problemen zijn, treedt de Uitvoerende Raad in overleg met de Staat die Partij is bij dit Verdrag om deze te verhelpen. Indien er problemen zijn die onopgelost blijven, worden deze voorgelegd aan de Conferentie.

59.

In de gedetailleerde inrichtingsakkoorden betreffende inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens dienen, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de inrichting en de werkwijze daarvan, te worden vermeld:

  • a.gedetailleerde procedures voor de inspectie ter plaatse; en

  • b.bepalingen aangaande verificatie door middel van constante controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten en inspecteurs die lijfelijk aanwezig zijn.

60.

De inspecteurs wordt toegang verleend tot elke inrichting voor de vernietiging van chemische wapens, zulks ten minste 60 dagen voor de aanvang van de vernietiging, ingevolge dit Verdrag, in de desbetreffende inrichting. Deze toegang heeft tot doel toe te zien op het installeren van de inspectie-uitrusting, deze te inspecteren en de werking ervan te testen, alsmede over te gaan tot een laatste technische bezichtiging van de inrichting. In geval van een bestaande inrichting waar reeds een aanvang is gemaakt met de vernietiging van chemische wapens, dienen de vernietigingsactiviteiten zo kort mogelijk, doch ten hoogste 60 dagen, te worden stopgezet voor het installeren en testen van de inspectie-uitrusting. Afhankelijk van de resultaten van het testen en de bezichtiging kunnen de Staat die Partij is bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat aanvullingen of wijzigingen op het gedetailleerde inrichtingsakkoord voor die inrichting overeenkomen.

61.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de leider van het inspectieteam in een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens ten minste vier uur van tevoren schriftelijk in kennis te stellen van het vertrek van elke zending chemische wapens vanaf een inrichting voor de opslag van chemische wapens naar de desbetreffende vernietigingsinrichting. In deze kennisgeving dienen te zijn vermeld de naam van de opslaginrichting, de verwachte tijden van vertrek en aankomst, de afzonderlijke typen en hoeveelheden van de verzonden chemische wapens, of er gelabelde exemplaren worden vervoerd, alsook de wijze van vervoer. Deze kennisgeving mag op meer dan één zending betrekking hebben. De leider van het inspectieteam dient onmiddellijk schriftelijk in kennis te worden gesteld van eventuele wijzigingen in deze informatie.

Inrichtingen voorde opslag van chemische wapens in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens

62.

De inspecteurs verifiëren de aankomst van de chemische wapens in een vernietigingsinrichting en de opslag van die chemische wapens. De inspecteurs verifiëren de inventarislijst van elke zending, met gebruikmaking van overeengekomen procedures die in overeenstemming zijn met de veiligheidsvoorschriften in de inrichting, zulks vóór de vernietiging van de chemische wapens. Zij mogen, indien van toepassing, gebruik maken van overeengekomen zegels, markeringsmiddelen of andere procedures voor de controle van een inventaris, zulks ter vergemakkelijking van een nauwkeurige inventarisatie van de chemische wapens vóór de vernietiging.

63.

Zodra en zolang de chemische wapens zijn opgeslagen in inrichtingen voor de opslag van chemische wapens die zijn gelegen in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens, worden deze opslaginrichtingen onderworpen aan een systematische verificatie in overeenstemming met de desbetreffende inrichtingsakkoorden.

64.

Aan het einde van de actieve-vernietigingsfase maken de inspecteurs een inventaris op van de chemische wapens die ter vernietiging zijn verwijderd uit de opslaginrichting. Zij verifiëren de juistheid van de inventarislijst betreffende de resterende chemische wapens met gebruikmaking van de in paragraaf 62 bedoelde procedures voor de controle van een inventaris.

Maatregelen voor systematische verificatie ter plaatse in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens

65.

De inspecteurs wordt gedurende de gehele actieve-vernietigingsfase toegang verleend ter verrichting van hun activiteiten in de inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens en de aldaar gelegen inrichtingen voor de opslag van chemische wapens.

66.

Ten einde te verzekeren dat er geen chemische wapens verdwijnen en er zeker van te zijn dat het vernietigingsproces is afgerond, hebben de inspecteurs in elke inrichting voor de vernietiging van chemische wapens het recht om, door middel van lijfelijke aanwezigheid en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten, te verifiëren:

  • a.de in ontvangstneming van chemische wapens in die inrichting;

  • b.de ruimte voor tijdelijke bewaring van chemische wapens en de afzonderlijke typen en hoeveelheden van de in die ruimte opgeslagen chemische wapens;

  • c.de afzonderlijke typen en hoeveelheden van de te vernietigen chemische wapens;

  • d.het vernietigingsproces;

  • e.het eindprodukt van de vernietiging;

  • f.het onbruikbaar maken van metalen onderdelen; en

  • g.de betrouwbaarheid van het vernietigingsproces en de inrichting in het algemeen.

67.

De inspecteurs hebben, ten behoeve van de monsterneming, het recht labels aan te brengen op munitie, andere inzetmiddelen of houders die zich bevinden in de ruimten voor tijdelijke bewaring in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens.

68.

Voor zover deze aan de vereisten inzake inspectie voldoet, zal deugdelijk gestaafde informatie over routine-activiteiten in de inrichting voor inspectiedoeleinden worden gebruikt.

69.

Na afloop van elke vernietigingsperiode bevestigt het Technisch Secretariaat de verklaring van de Staat die Partij is bij dit Verdrag, waarin deze melding maakt van de voltooiing van de vernietiging van de aangegeven hoeveelheid chemische wapens.

70.

De inspecteurs dienen, in overeenstemming met de inrichtingsakkoorden:

  • a.onbelemmerde toegang te hebben tot alle delen van de inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens en de aldaar gelegen inrichtingen voor de opslag van chemische wapens, met inbegrip van alle munitie, andere inzetmiddelen, buikhouders of andere houders die zich daar bevinden. De te inspecteren exemplaren worden gekozen door de inspecteurs in overeenstemming met het verificatieplan waarmee de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft ingestemd en dat is goedgekeurd door de Uitvoerende Raad;

  • b.de systematische analyse van de monsters ter plaatse te volgen gedurende het gehele vernietigingsproces; en

  • c.indien noodzakelijk monsters te ontvangen die op hun verzoek zijn genomen van munitie, andere inzetmiddelen, buikhouders en andere houders in de vernietigingsinrichting of de aldaar gelegen opslaginrichting.

AFDELING IV (B). Oude chemische wapens en achtergelaten chemische wapens

A. ALGEMEEN

1.

Oude chemische wapens dienen te worden vernietigd zoals bepaald in Titel B.

2.

Achtergelaten chemische wapens, met inbegrip van die welke tevens voldoen aan de omschrijving van artikel II, vijfde lid, letter b, dienen te worden vernietigd zoals bepaald in Titel C.

B. REGIME VOOR OUDE CHEMISCHE WAPENS

3.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die op zijn grondgebied oude chemische wapens heeft zoals omschreven in artikel II, vijfde lid, letter a, dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, aan het Technisch Secretariaat alle beschikbare ter zake dienende informatie te verstrekken, waaronder, voor zover mogelijk, de vindplaats, het type, de hoeveelheid en de huidige toestand van deze oude chemische wapens.

In geval van oude chemische wapens zoals omschreven in artikel II, vijfde lid, letter b, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag aan het Technisch Secretariaat een opgave overeenkomstig artikel III, eerste lid, letter b, onder i, in te dienen, met inbegrip van, voor zover mogelijk, de in Afdeling IV (A), paragrafen 1 tot en met 3, van deze Bijlage genoemde informatie.

4.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die oude chemische wapens ontdekt nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, dient aan het Technisch Secretariaat de in paragraaf 3 bedoelde informatie te verstrekken, zulks uiterlijk 180 dagen na de ontdekking van de oude chemische wapens.

5.

Het Technisch Secretariaat verricht een eerste inspectie, en voor zover nodig vervolginspecties, ten einde de ingevolge de paragrafen 3 en 4 verstrekte informatie te verifiëren en met name om te bepalen of de chemische wapens voldoen aan de omschrijving van oude chemische wapens als gegeven in artikel II, vijfde lid. Richtlijnen voor het bepalen van de bruikbaarheid van tussen 1925 en 1946 geproduceerde wapens zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i.

6.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient oude chemische wapens, ten aanzien waarvan het Technisch Secretariaat heeft bevestigd dat zij voldoen aan de omschrijving in artikel II, vijfde lid, letter a, te behandelen als giftige afvalstoffen. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat in te lichten over de stappen die worden ondernomen om deze oude chemische wapens te vernietigen of anderszins te verwijderen als giftige afvalstoffen in overeenstemming met zijn nationale wetgeving.

7.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient, met inachtneming van de paragrafen 3 tot en met 5, oude chemische wapens ten aanzien waarvan het Technisch Secretariaat heeft bevestigd dat zij voldoen aan de omschrijving in artikel II, vijfde lid, letter b, te vernietigen in overeenstemming met artikel IV en Afdeling IV (A) van deze Bijlage. Op verzoek van een Staat die Partij is bij dit Verdrag kan de Uitvoerende Raad evenwel de bepalingen inzake de termijn en de volgorde van vernietiging van deze oude chemische wapens wijzigen, indien de Raad vaststelt dat zulks geen risico voor de doelstelling van dit Verdrag inhoudt. Het verzoek dient concrete voorstellen voor wijziging van de bepalingen en een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de voorgestelde wijziging te omvatten.

C. REGIME VOOR ACHTERGELATEN CHEMISCHE WAPENS

8.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag op het grondgebied waarvan zich achtergelaten chemische wapens bevinden (hierna te noemen de „territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag”) dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, aan het Technisch Secretariaat alle beschikbare ter zake dienende informatie te verstrekken betreffende de achtergelaten chemische wapens. De informatie dient, voor zover mogelijk, de vindplaats, het type, de hoeveelheid en de huidige toestand van de achtergelaten chemische wapens, alsook informatie over de achterlating te omvatten.

9.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die achtergelaten chemische wapens ontdekt nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, dient uiterlijk 180 dagen na de ontdekking aan het Technisch Secretariaat alle beschikbare ter zake dienende informatie betreffende de ontdekte achtergelaten chemische wapens te verstrekken. Deze informatie dient, voor zover mogelijk, de vindplaats, het type, de hoeveelheid en de huidige toestand van de achtergelaten chemische wapens, alsook informatie over de achterlating te omvatten.

10.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die chemische wapens heeft achtergelaten op het grondgebied van een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag (hierna te noemen de „achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag”) dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, aan het Technisch Secretariaat alle beschikbare ter zake dienende informatie te verstrekken betreffende de achtergelaten chemische wapens. Deze informatie dient, voor zover mogelijk, de vindplaats, het type, de hoeveelheid, alsook informatie over de achterlating en de toestand van de achtergelaten chemische wapens te omvatten.

11.

Het Technisch Secretariaat verricht een eerste inspectie, en voor zover nodig vervolginspecties, ten einde alle beschikbare terzake dienende informatie, verstrekt overeenkomstig de paragrafen 8 tot en met 10, te verifiëren en om vast te stellen of systematische verificatie in overeenstemming met Afdeling IV (A), paragrafen 41 tot en met 43, van deze Bijlage noodzakelijk is. Het dient, indien noodzakelijk, de herkomst van de achtergelaten chemische wapens te verifiëren en feitenmateriaal te verzamelen betreffende de achterlating en de identiteit van de achterlatende Staat.

12.

Het rapport van het Technisch Secretariaat wordt verstrekt aan de Uitvoerende Raad, de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag en de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag dan wel de Staat die Partij is bij dit Verdrag ten aanzien waarvan de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft verklaard of het Technisch Secretariaat heeft vastgesteld dat deze de chemische wapens heeft achtergelaten. Indien één van de rechtstreeks betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag niet tevreden is met het rapport, heeft deze het recht de aangelegenheid te regelen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag of de kwestie voor te leggen aan de Uitvoerende Raad ten einde de aangelegenheid spoedig te regelen.

13.

Ingevolge artikel I, derde lid, heeft de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht de Staat die Partij is bij dit Verdrag ten aanzien waarvan is vastgesteld dat deze de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag is overeenkomstig de paragrafen 8 tot en met 12, te verzoeken om overleg met het oog op de vernietiging van de chemische wapens in samenwerking met de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag. Die Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat onmiddellijk in kennis te stellen van dit verzoek.

14.

Overleg tussen de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag en de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag met het oog op de vaststelling van een onderling overeengekomen plan voor de vernietiging dient uiterlijk 30 dagen nadat het Technisch Secretariaat van het in paragraaf 13 bedoelde verzoek in kennis is gesteld te beginnen. Het onderling overeengekomen plan voor de vernietiging dient uiterlijk 180 dagen nadat het Technisch Secretariaat van het in paragraaf 13 bedoelde verzoek in kennis is gesteld, aan het Technisch Secretariaat te worden toegezonden. Op verzoek van de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag en de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag kan de Uitvoerende Raad de termijn voor toezending van het onderling overeengekomen plan voor de vernietiging verlengen.

15.

Ter wille van de vernietiging van de achtergelaten chemische wapens dient de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag alle nodige financiële en technische middelen, expertise, faciliteiten en andere middelen ter beschikking te stellen. De territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag dient passende medewerking te verlenen.

16.

Indien de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag niet kan worden vastgesteld of indien deze geen Staat die Partij is bij dit Verdrag is, kan de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag, ten einde de vernietiging van deze achtergelaten chemische wapens te verzekeren, de Organisatie en andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verzoeken bijstand te verlenen bij de vernietiging van deze achtergelaten chemische wapens.

17.

Met inachtneming van de paragrafen 8 tot en met 16, zijn artikel IV en Afdeling IV (A) van deze Bijlage ook van toepassing op de vernietiging van achtergelaten chemische wapens. In geval van achtergelaten chemische wapens die ook voldoen aan de omschrijving van oude chemische wapens in artikel II, vijfde lid, letter b, kan de Uitvoerende Raad op verzoek van de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag, hetzij alleen, hetzij te zamen met de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag, de toepassing van de bepalingen inzake vernietiging wijzigen of deze in uitzonderlijke gevallen opschorten, indien de Raad vaststelt dat zulks geen risico voor de doelstelling van dit Verdrag inhoudt. In geval van chemische wapens die niet voldoen aan de omschrijving van oude chemische wapens in artikel II, vijfde lid, letter b, kan de Uitvoerende Raad op verzoek van de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag, hetzij alleen, hetzij te zamen met de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag, de bepalingen inzake de termijn en de volgorde van vernietiging in buitengewone omstandigheden wijzigen, indien de Raad vaststelt dat zulks geen risico voor de doelstelling van dit Verdrag inhoudt. Het in deze paragraaf bedoelde verzoek dient concrete voorstellen voor wijziging van de bepalingen en een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de voorgestelde wijziging te omvatten.

18.

Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kunnen onderling overeenkomsten of akkoorden sluiten betreffende de vernietiging van achtergelaten chemische wapens. De Uitvoerende Raad kan op verzoek van de territoriale Staat die Partij is bij dit Verdrag, hetzij alleen, hetzij te zamen met de achterlatende Staat die Partij is bij dit Verdrag, besluiten dat sommige van de bepalingen van die overeenkomsten of akkoorden voorrang hebben boven bepalingen van dit Verdrag, indien de Raad vaststelt dat de overeenkomst of het akkoord de vernietiging van de achtergelaten chemische wapens verzekert in overeenstemming met paragraaf 17.

AFDELING V. Vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens en de verificatie daarvan ingevolge artikel V

A. OPGAVEN

Opgaven van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens

1.

In de opgave van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens van een Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, onder ii, dient voor elke inrichting te worden vermeld:

  • a.de naam van de inrichting, de namen van de eigenaars en de namen van de vennootschappen of bedrijven die de inrichting sinds 1 januari 1946 exploiteren;

  • b.de exacte plaats van de inrichting, met inbegrip van het adres, de ligging van het complex, de ligging van de inrichting binnen het complex, onder vermelding van het desbetreffende gebouw en het eventuele nummer daarvan;

  • c.of het een inrichting betreft voor de vervaardiging van stoffen die volgens de begripsomschrijving worden aangemerkt als chemische wapens, dan wel een inrichting voor het vullen van chemische wapens, of beide;

  • d.de datum waarop de bouw van de inrichting werd voltooid en de perioden gedurende welke wijzigingen aan de inrichting werden aangebracht, waaronder de plaatsing van nieuwe of veranderde apparatuur, waardoor de kenmerken van het produktieproces van de inrichting aanmerkelijk werden gewijzigd;

  • e.informatie over de stoffen die volgens de begripsomschrijving worden aangemerkt als chemische wapens die in de inrichting werden vervaardigd, de munitie, andere inzetmiddelen en houders die in de inrichting zijn gevuld, en de datum van aanvang en beëindiging van de vervaardiging of vulling:

    • i.voor de stoffen die volgens de begripsomschrijving worden aangemerkt als chemische wapens die in de inrichting werden vervaardigd, moet die informatie worden uitgesplitst per type stof dat werd vervaardigd, onder vermelding van de chemische benaming in overeenstemming met de huidige nomenclatuur van de International Union of Pure and Applied Chemistry (IUPAC), de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend, en de hoeveelheid van elke stof, uitgedrukt in het gewicht van de stof in tonnen;

    • ii.voor munitie, andere inzetmiddelen en houders die in de inrichting werden gevuld, moet die informatie worden uitgesplitst per type chemisch wapen dat werd gevuld en het gewicht van de chemische lading per exemplaar;

  • f.de produktiecapaciteit van de inrichting voor de produktie van chemische wapens:

    • i.voor een inrichting waar chemische wapens werden vervaardigd, moet de produktiecapaciteit worden uitgedrukt als de hoeveelheid die jaarlijks zou kunnen worden vervaardigd van een bepaalde stof op basis van het technologische proces dat feitelijk wordt gebruikt of dat, indien het proces nog niet operationeel is, zal worden gebruikt in de desbetreffende inrichting;

    • ii.voor een inrichting waar chemische wapens werden gevuld, moet de produktiecapaciteit worden uitgedrukt als de hoeveelheid stoffen die per jaar in de inrichting in elk afzonderlijk type chemisch wapen kan worden aangebracht;

  • g.voor elke inrichting voor de produktie van chemische wapens die niet is vernietigd, een beschrijving van de inrichting, met inbegrip van:

    • i.een plattegrond;

    • ii.een schema van het produktieproces in de inrichting; en

    • iii.een lijst van de gebouwen van de inrichting, alsmede van de speciale apparatuur in de inrichting en van reserve-onderdelen voor die apparatuur;

  • h.de huidige situatie van de inrichting, met vermelding van:

    • i.de datum waarop in de inrichting voor het laatst chemische wapens zijn geproduceerd;

    • ii.of de inrichting is vernietigd, met vermelding van de datum en wijze van vernietiging; en

    • iii.of de inrichting is gebruikt of gewijzigd vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ten behoeve van een activiteit die geen verband houdt met de produktie van chemische wapens en, zo ja, informatie over de aard van de aangebrachte wijzigingen, de datum waarop de niet met chemische wapens verband houdende activiteit is begonnen en de aard van die activiteit, met vermelding, indien van toepassing, van het soort produkt;

  • i.een opgave van de maatregelen die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn genomen voor de sluiting van de inrichting en een beschrijving van de maatregelen die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn genomen of zullen worden genomen om de inrichting buiten gebruik te stellen;

  • j.een beschrijving van het normale patroon van de veiligheids- en beveiligingsactiviteiten in de buiten gebruik gestelde inrichting; en

  • k.een verklaring met betrekking tot de vraag of de inrichting zal worden geconverteerd voor de vernietiging van chemische wapens en, zo ja, de datum van die conversie.

Opgaven van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, onder iii

2.

De opgave van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, onder iii, dient alle in paragraaf 1 hierboven genoemde informatie te omvatten. Het is de verantwoordelijkheid van de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de inrichting is of was gelegen om passende regelingen te treffen met de andere Staat die Partij is bij dit Verdrag ten einde te verzekeren dat de opgaven worden gedaan. Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de inrichting is of was gelegen, niet in staat is aan deze verplichting te voldoen, dient hij de redenen daarvoor op te geven.

Opgaven van overdrachten en ontvangsten in het verleden

3.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die apparatuur voor de produktie van chemische wapens heeft overgedragen of ontvangen sinds 1 januari 1946 dient deze overdrachten en ontvangsten op te geven ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, onder iv, en in overeenstemming met paragraaf 5 hieronder. Wanneer niet alle genoemde informatie beschikbaar is betreffende overdrachten en ontvangsten van bedoelde apparatuur gedurende de periode tussen 1 januari 1946 en 1 januari 1970, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag de informatie die nog wel beschikbaar is op te geven en toe te lichten waarom hij geen volledige opgave kan indienen.

4.

Onder de in paragraaf 3 bedoelde apparatuur voor de produktie van chemische wapens wordt verstaan:

  • a.speciale apparatuur;

  • b.apparatuur voor de produktie van apparatuur die specifiek is ontworpen voor rechtstreeks met de aanwending van chemische wapens verband houdend gebruik; en

  • c.apparatuur die is ontworpen of uitsluitend wordt gebruikt voor de produktie van niet-chemische delen van chemische munitie.

5.

In de opgave betreffende overdrachten en ontvangsten van apparatuur voor de produktie van chemische wapens dient te worden vermeld:

  • a.wie de apparatuur voor de produktie van chemische wapens heeft ontvangen/overgedragen;

  • b.de aard van die apparatuur;

  • c.de datum van de overdracht of ontvangst;

  • d.of de apparatuur werd vernietigd, indien bekend; en

  • e.de huidige bestemming, indien bekend.

Indiening van algemene vernietigingsplannen

6.

Voor elke inrichting voor de produktie van chemische wapens dient een Staat die Partij is bij dit Verdrag de volgende informatie te verstrekken:

  • a.het voorgenomen tijdsbestek voor de te nemen maatregelen; en

  • b.de wijze van vernietiging.

7.

Voor elke inrichting voor de vernietiging van chemische wapens die een Staat die Partij is bij dit Verdrag voornemens is tijdelijk te converteren in een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag de volgende informatie te verstrekken:

  • a.het voorgenomen tijdsbestek voor de conversie in een vernietigingsinrichting;

  • b.het voorgenomen tijdsbestek voor het gebruik van de inrichting als inrichting voor de vernietiging van chemische wapens;

  • c.een beschrijving van de nieuwe inrichting;

  • d.de wijze van vernietiging van speciale apparatuur;

  • e.het tijdsbestek voor de vernietiging van de geconverteerde inrichting nadat deze is gebruikt voor de vernietiging van chemische wapens; en

  • f.de wijze van vernietiging van de geconverteerde inrichting.

Indiening van de jaarplannen voor de vernietiging en jaarverslagen inzake de vernietiging

8.

De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ten minste 90 dagen voor het begin van het komende vernietigingsjaar een jaarplan voor de vernietiging in te dienen. In het jaarplan dient te zijn vermeld:

  • a.de te vernietigen capaciteit;

  • b.de naam en de ligging van de inrichtingen waar de vernietiging zal plaatsvinden;

  • c.de lijst van gebouwen en apparatuur die zullen worden vernietigd in elke inrichting; en

  • d.de geplande wijze(n) van vernietiging.

9.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 90 dagen na het einde van het voorgaande vernietigingsjaar een jaarverslag inzake de vernietiging in te dienen. In dit jaarverslag dient te zijn vermeld:

  • a.de vernietigde capaciteit;

  • b.de naam en de ligging van elke inrichting waar de vernietiging heeft plaatsgevonden;

  • c.de lijst van gebouwen en apparatuur die werden vernietigd in elke inrichting;

  • d.de wijzen van vernietiging.

10.

Voor een ingevolge artikel III, eerste lid, letter c, onder iii, opgegeven inrichting voor de produktie van chemische wapens is het de verantwoordelijkheid van de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de inrichting is of was gelegen om passende regelingen te treffen ten einde te verzekeren dat de in de paragrafen 6 tot en met 9 bedoelde opgaven worden gedaan. Indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied de inrichting is of was gelegen niet in staat is aan deze verplichting te voldoen, dient hij de redenen daarvoor op te geven.

B. VERNIETIGING

Algemene beginselen voor de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens

11.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag besluit over de toe te passen wijzen van vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens overeenkomstig de beginselen als vervat in artikel V en deze Afdeling.

Beginselen voor en wijzen van sluiting van een inrichting voor de produktie van chemische wapens

12.

De sluiting van een inrichting voor de produktie van chemische wapens heeft tot doel deze buiten gebruik te stellen.

13.

Door een Staat die Partij is bij dit Verdrag dienen overeengekomen maatregelen tot sluiting te worden genomen met inachtneming van de specifieke kenmerken van elke inrichting. Deze maatregelen dienen, onder andere, te omvatten:

  • a.een verbod op het gebruik van de speciale gebouwen en de standaardgebouwen van een inrichting, behalve voor overeengekomen activiteiten;

  • b.het uitschakelen van apparatuur die rechtstreeks verband houdt met de produktie van chemische wapens, met inbegrip van, onder andere, procesbesturingsapparatuur en praktische voorzieningen;

  • c.het buiten gebruik stellen van beschermende voorzieningen en apparatuur die uitsluitend dienden voor de veiligheid van activiteiten in de inrichting voor de produktie van chemische wapens;

  • d.het plaatsen van gesloten flenzen en andere voorzieningen ter voorkoming van het toevoegen of onttrekken van stoffen aan speciale procesapparatuur voor het synthetiseren, scheiden of zuiveren van stoffen die volgens de begripsomschrijving worden aangemerkt als chemische wapens, aan opslagtanks, of aan machines voor het vullen van chemische wapens, dan wel voor het verwarmen, het koelen of de toevoer van elektriciteit of andere vormen van energie naar die apparatuur, opslagtanks of machines; en

  • e.het afsluiten van toegangswegen voor zwaar transport per spoor, over de weg of anderszins naar de inrichting voor de produktie van chemische wapens, met uitzondering van die welke nodig zijn voor overeengekomen activiteiten.

14.

Zolang de inrichting voor de produktie van chemische wapens gesloten blijft, mag een Staat die Partij is bij dit Verdrag veiligheids- en beveiligingsactiviteiten in de inrichting voortzetten.

Technisch onderhoud van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens vóór hun vernietiging

15.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag standaard-onderhoudsactiviteiten verrichten in inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, zulks uitsluitend uit veiligheidsoverwegingen, met inbegrip van visuele inspectie, preventief onderhoud en routine-reparaties.

16.

Alle geplande onderhoudsactiviteiten dienen te worden vermeld in de algemene en de gedetailleerde vernietigingsplannen. Onderhoudsactiviteiten mogen niet omvatten:

  • a.de vervanging van procesapparatuur;

  • b.de wijziging van de kenmerken van de chemische-procesapparatuur;

  • c.de produktie van enigerlei stoffen.

17.

Alle onderhoudsactiviteiten zijn onderworpen aan toezicht door het Technisch Secretariaat.

Beginselen voor en wijzen van tijdelijke conversie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens

18.

Maatregelen met betrekking tot de tijdelijke conversie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens in inrichtingen voor de vernietiging van chemische wapens dienen te verzekeren dat het regime voor tijdelijk geconverteerde inrichtingen ten minste even streng is als het regime voor inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die niet zijn geconverteerd.

19.

Inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn geconverteerd in een vernietigingsinrichting dienen te worden opgegeven als produktie-inrichtingen.

Deze worden onderworpen aan een eerste bezoek van inspecteurs, die de juistheid van de informatie over deze inrichtingen verifiëren. Tevens is verificatie vereist van het feit dat de conversie van deze inrichtingen zodanig is geschied, dat zij daardoor onbruikbaar zijn geworden als inrichting voor de produktie van chemische wapens, welke verificatie dient plaats te vinden in het kader van de maatregelen die zijn voorgeschreven voor inrichtingen die uiterlijk 90 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag buiten gebruik moeten zijn gesteld.

20.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die voornemens is een conversie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens uit te voeren, dient het Technisch Secretariaat uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, of uiterlijk 30 dagen nadat het besluit tot tijdelijke conversie is genomen, een algemeen conversieplan te verstrekken, gevolgd door jaarplannen.

21.

Mocht een Staat die Partij is bij dit Verdrag de noodzaak gevoelen nog een inrichting voor de produktie van chemische wapens welke is gesloten nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, te converteren in een vernietigingsinrichting, dan dient die Staat die Partij is bij dit Verdrag het Technisch Secretariaat daarvan ten minste 150 dagen vóór de conversie in kennis te stellen. Het Technisch Secretariaat dient er samen met de Staat die Partij is bij dit Verdrag zorg voor te dragen dat de nodige maatregelen worden genomen om die inrichting na de conversie onbruikbaar te maken als inrichting voor de produktie van chemische wapens.

22.

Een inrichting die is geconverteerd ten behoeve van de vernietiging van chemische wapens mag niet geschikter zijn voor de hervatting van de produktie van chemische wapens dan een produktie-inrichting die is gesloten en waaraan onderhoud wordt verricht. De wederingebruikneming mag niet minder tijd vergen dan bij een inrichting voor de produktie van chemische wapens die is gesloten en waaraan onderhoud wordt verricht.

23.

Geconverteerde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens dienen uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te zijn vernietigd.

24.

Maatregelen voor de conversie van een bepaalde inrichting voor de produktie van chemische wapens dienen op die inrichting te zijn toegespitst en dienen af te hangen van de specifieke kenmerken daarvan.

25.

Het pakket maatregelen dat wordt uitgevoerd ten behoeve van de conversie van een inrichting voor de produkie van chemische wapens in een vernietigingsinrichting mag niet minder vergaand zijn dan dat voorgeschreven voor het onbruikbaar maken van andere inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, dat uiterlijk 90 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden dient te worden uitgevoerd.

Beginselen voor en wijzen van vernietiging van een inrichting voor de produktie van chemische wapens

26.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient onder de definitie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens vallende apparatuur en gebouwen als volgt te vernietigen:

  • a.alle speciale apparatuur en standaardapparatuur dient totaal te worden vernietigd;

  • b.alle speciale gebouwen en standaardgebouwen dienen totaal te worden vernietigd.

27.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient inrichtingen voor de produktie van ongevulde chemische munitie en uitrusting voor de aanwending van chemische wapens als volgt te vernietigen:

  • a.inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor de produktie van niet-chemische delen voor chemische munitie of uitrusting die speciaal is ontworpen voor rechtsreeks met de aanwending van chemische wapens verband houdend gebruik, dienen te worden opgegeven en vernietigd. Het vernietigingsproces en de verificatie daarvan dienen te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van artikel V en deze Afdeling van deze Bijlage die de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens regelen;

  • b.alle apparatuur die is ontworpen of uitsluitend wordt gebruikt voor de produktie van niet-chemische delen voor chemische munitie dient totaal te worden vernietigd. Deze apparatuur, waaronder speciaal ontworpen matrijzen en metaalgietvormen zijn begrepen, kan naar een speciale vernietigingsplaats worden overgebracht;

  • c.alle gebouwen en standaardapparatuur die voor produktie-activiteiten worden gebruikt, dienen te worden vernietigd of geconverteerd voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden, gevolgd door bevestiging, indien noodzakelijk, door middel van overleg en inspecties zoals bepaald in artikel IX;

  • d.activiteiten voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden kunnen worden voortgezet terwijl de vernietiging of conversie doorgaat.

Volgorde van de vernietiging

28.

De volgorde van de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens is gebaseerd op de verplichtingen als genoemd in artikel I en de andere artikelen van dit Verdrag, met inbegrip van verplichtingen met betrekking tot systematische verificatie ter plaatse. Hierbij wordt rekening gehouden met het belang dat Staten die Partij zijn bij dit Verdrag hebben bij onverminderde veiligheid gedurende de vernietigingsperiode, het wekken van vertrouwen in het eerste deel van de vernietigingsfase, het geleidelijk opdoen van ervaring in de loop van de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, en de toepasbaarheid, ongeacht de feitelijke kenmerken van de inrichtingen en de gekozen wijzen van vernietiging. De volgorde van de vernietiging is gebaseerd op het beginsel van gelijkmatig afbouwen.

29.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient voor elke vernietigingsperiode te bepalen welke inrichtingen voor de produktie van chemische wapens zullen worden vernietigd en dient de vernietiging op zodanige wijze uit te voeren, dat aan het einde van elke vernietigingsperiode niets meer overblijft dan is bepaald in de paragrafen 30 en 31. Dit belet een Staat die Partij is bij dit Verdrag niet zijn inrichtingen in een hoger tempo te vernietigen.

30.

De volgende bepalingen zijn van toepassing op inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die stoffen van Lijst I produceren:

  • a.een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de vernietiging van deze inrichtingen uiterlijk een jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden te beginnen en dient de vernietiging uiterlijk 10 jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te hebben voltooid. Voor een Staat die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag Partij is, wordt deze totale periode verdeeld in drie afzonderlijke vernietigingsperioden, te weten het tweede tot en met het vijfde jaar, het zesde tot en met het achtste jaar en het negende en tien jaar. Voor Staten die na de inwerkingtreding van dit Verdrag Partij worden, wordt de vernietigingsperiode aangepast, rekening houdend met de paragrafen 28 en 29;

  • b.de produktiecapaciteit wordt gehanteerd als vergelijkingsfactor voor deze inrichtingen. Deze wordt uitgedrukt in tonnen per agens, rekening houdend met de regels voor binaire chemische wapens;

  • c.er dienen passende overeengekomen niveaus voor de produktiecapaciteit te worden vastgesteld vóór het einde van het achtste jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag. De produktiecapaciteit die het desbetreffende niveau te boven gaat, dient in gelijke delen te worden vernietigd gedurende de eerste twee vernietigingsperioden;

  • d.de verplichting om een bepaalde hoeveelheid van de capaciteit te vernietigen brengt de verplichting met zich mede elke andere inrichting voor de vernietiging van chemische wapens te vernietigen die leverde aan de inrichting van Lijst I of die aldaar geproduceerde stoffen van Lijst I heeft geladen in munitie of andere inzetmiddelen;

  • e.inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die tijdelijk zijn geconverteerd voor de vernietiging van chemische wapens blijven onderworpen aan de verplichting om capaciteit te vernietigen overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.

31.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens die niet onder paragraaf 30 vallen uiterlijk een jaar nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden te beginnen en dient de vernietiging uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te hebben voltooid.

Gedetailleerde vernietigingsplannen

32.

Ten minste 180 dagen voordat de vernietiging van een inrichting voor de produktie van chemische wapens begint, dient een Staat die Partij is bij dit Verdrag het Technisch Secretariaat de gedetailleerde plannen voor de vernietiging van de inrichting te verstrekken, met inbegrip van de in paragraaf 33, letter f, bedoelde voorgestelde maatregelen voor de verificatie van de vernietiging met betrekking tot, onder andere:

  • a.bepaling van het tijdstip waarop de inspecteurs in de te vernietigen inrichting aanwezig zijn; en

  • b.procedures ter verificatie van de maatregelen die moeten worden toegepast op elk op de opgegeven inventarislijst vermeld voorwerp.

33.

Het gedetailleerde plan voor de vernietiging van elke inrichting voor de produktie van chemische wapens dient te omvatten:

  • a.een gedetailleerd tijdschema voor het vernietigingsproces;

  • b.de indeling van de inrichting;

  • c.een schema van het produktieproces;

  • d.een gedetailleerde inventarislijst van de apparatuur, gebouwen en andere voorwerpen die zullen worden vernietigd;

  • e.de maatregelen die ten aanzien van elk op de inventarislijst vermeld voorwerp dienen te worden genomen;

  • f.de voorgestelde maatregelen tot verificatie;

  • g.de gedurende de vernietiging van de inrichting in acht te nemen beveiligings-/veiligheidsmaatregelen; en

  • h.de werk- en woonomstandigheden die de inspecteurs worden geboden.

34.

Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag voornemens is een inrichting voor de produktie van chemische wapens tijdelijk te converteren in een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens, dient hij het Technisch Secretariaat ten minste 150 dagen voor de aanvang van de conversie-activiteiten daarvan in kennis te stellen. De kennisgeving dient:

  • a.de naam, het adres en de ligging van de inrichting te vermelden;

  • b.een plattegrond te geven waarop alle bouwwerken en ruimten zijn vermeld die bij de vernietiging van chemische wapens zullen worden betrokken, en tevens alle bouwwerken van de produktie-inrichting te noemen die tijdelijk worden geconverteerd;

  • c.de typen van de te vernietigen chemische wapens en het type en de hoeveelheid van te vernietigen chemische lading te vermelden;

  • d.de wijze van vernietiging te noemen;

  • e.een schema van het produktieproces te geven, met vermelding van de delen van het produktieproces en de speciale apparatuur die zullen worden geconverteerd voor de vernietiging van chemische wapens;

  • f.de zegels en inspectie-uitrusting te noemen die mogelijk door de conversie wordt geraakt, indien van toepassing; en

  • g.een schema te geven waaruit blijkt: de tijd die is uitgetrokken voor het ontwerpen, de tijdelijke conversie van de inrichting, het plaatsen van de apparatuur, het controleren van de apparatuur, de vernietigingsactiviteiten en de sluiting.

35.

Met betrekking tot de vernietiging van een inrichting die tijdelijk werd geconverteerd voor de vernietiging van chemische wapens dient informatie te worden verstrekt in overeenstemming met de paragrafen 32 en 33.

Beoordeling van de gedetailleerde plannen

36.

Op basis van het gedetailleerde vernietigingsplan en de voorgestelde maatregelen tot verificatie die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn ingediend, en op grond van de ervaring die bij eerdere inspecties is opgedaan, stelt het Technisch Secretariaat een plan op voor de verificatie van de vernietiging van de inrichting, zulks in nauw overleg met de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Eventuele verschillen van mening tussen het Technisch Secretariaat en de Staat die Partij is bij dit Verdrag omtrent de passende maatregelen dienen te worden opgelost door middel van overleg. Eventuele onopgeloste aangelegenheden dienen te worden voorgelegd aan de Uitvoerende Raad, opdat deze passende stappen onderneemt ter vergemakkelijking van de volledige uitvoering van dit Verdrag.

37.

Om te verzekeren dat wordt voldaan aan de bepalingen van artikel V en deze Afdeling, dient tussen de Uitvoerende Raad en de Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenstemming te worden bereikt over de gecombineerde plannen voor de vernietiging en verificatie. Deze overeenstemming dient ten minste 60 dagen voor de geplande aanvang van de vernietiging tot stand te zijn gekomen.

38.

Elk lid van de Uitvoerende Raad kan met het Technisch Secretariaat overleg plegen over aangelegenheden betreffende de adequaatheid van de gecombineerde plan voor de vernietiging en verificatie. Indien geen van de leden van de Uitvoerende Raad daartegen bezwaar maakt, treedt het plan in werking.

39.

Indien er problemen zijn, treedt de Uitvoerende Raad in overleg met de Staat die Partij is bij dit Verdrag om deze te verhelpen. Indien er problemen zijn die onopgelost blijven, worden deze voorgelegd aan de Conferentie. Het oplossen van verschillen van mening over de wijzen van vernietiging mag de uitvoering van andere delen van het vernietigingsplan die wel aanvaardbaar zijn niet vertragen.

40.

Indien met de Uitvoerende Raad geen overeenstemming wordt bereikt over aspecten van de verificatie, of indien het goedgekeurde verificatieplan niet kan worden uitgevoerd, geschiedt de verificatie van de vernietiging door middel van constante controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten en inspecteurs die lijfelijk aanwezig zijn.

41.

De vernietiging en verificatie dienen te geschieden overeenkomstig het overeengekomen plan. De verificatie mag het vernietigingsproces niet onnodig hinderen en dient te geschieden door inspecteurs die lijfelijk ter plaatse aanwezig zijn om de vernietiging gade te slaan.

42.

Indien voorgeschreven verificatie- of vernietigingsmaatregelen niet worden genomen zoals is gepland, dienen alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag daarvan in kennis te worden gesteld.

C. VERIFICATIE

Verificatie van de opgaven van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens door middel van inspectie ter plaatse

43.

Het Technisch Secretariaat verricht een eerste inspectie van elke inrichting voor de produktie van chemische wapens in de periode tussen 90 en 120 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden.

44.

De eerste inspectie heeft tot doel:

  • a.te bevestigen dat de produktie van chemische wapens is beëindigd en dat de inrichting buiten gebruik is gesteld in overeenstemming met dit Verdrag;

  • b.het Technisch Secretariaat in staat te stellen zich vertrouwd te maken met de maatregelen die zijn genomen om de produktie van chemische wapens in de inrichting te beëindigen;

  • c.de inspecteurs in staat te stellen tijdelijke zegels aan te brengen;

  • d.de inspecteurs in staat te stellen de inventarislijst van gebouwen en speciale apparatuur te bevestigen;

  • e.de nodige informatie te verkrijgen voor de planning van de inspectie-activiteiten in de inrichting, met inbegrip van het gebruik van zegels met het oogmerk fraude te bemerken en van andere overeengekomen uitrusting, die zal worden opgesteld in overeenstemming met het gedetailleerde inrichtingsakkoord voor de inrichting; en

  • f.het voeren van voorbereidende besprekingen betreffende een gedetailleerd akkoord inzake inspectieprocedures in de inrichting.

45.

De inspecteurs mogen, indien van toepassing, overeengekomen zegels, markeringsmiddelen en andere procedures om de inventaris te controleren gebruiken ter vergemakkelijking van een nauwkeurige inventarisatie van de opgegeven voorwerpen in elke inrichting voor de produktie van chemische wapens.

46.

De inspecteurs mogen de nodige overeengekomen toestellen plaatsen die aangeven of er sprake is van een hervatting van de produktie van chemische wapens dan wel of er een opgegeven voorwerp is verwijderd. Zij dienen de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om de sluitingsactiviteiten van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag niet te belemmeren. De inspecteurs kunnen terugkeren om de betrouwbaarheid van de toestellen in stand te houden en te verifiëren.

47.

Indien de Directeur-Generaal op grond van de eerste inspectie meent dat er extra maatregelen nodig zijn om de inrichting buiten gebruik te stellen in overeenstemming met dit Verdrag, kan hij uiterlijk 135 dagen nadat dit Verdrag voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden, de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verzoeken die maatregelen toe te passen, zulks uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kan naar eigen goeddunken besluiten al dan niet aan het verzoek te voldoen. Indien niet aan het verzoek wordt voldaan, plegen de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Directeur-Generaal overleg om de kwestie op te lossen.

Systematische verificatie van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens en de beëindiging van hun activiteiten

48.

De systematische verificatie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens heeft tot doel te verzekeren dat een eventuele hervatting van de produktie van chemische wapens of het verwijderen van opgegeven voorwerpen in deze inrichting wordt ontdekt.

49.

In het gedetailleerde inrichtingsakkoord voor elke inrichting voor de produktie van chemische wapens dient te worden vermeld:

  • a.gedetailleerde inspectieprocedures, die kunnen omvatten:

    • i.visuele onderzoeken;

    • ii.het controleren en onderhouden van zegels en andere overeengekomen toestellen; en iii. het verkrijgen en analyseren van monsters.

  • b.procedures voor het gebruik van zegels die duiden op geknoei en van andere overeengekomen uitrusting ter voorkoming van de ongemerkte wederingebruikneming van de inrichting, welke dienen aan te geven:

    • i.het type, de plaatsing en regelingen voor het aanbrengen; en

    • ii.het onderhoud van die zegels en uitrusting; en

  • c.andere overeengekomen maatregelen.

50.

De zegels en andere goedgekeurde uitrusting waarin is voorzien in een gedetailleerd akkoord inzake inspectiemaatregelen voor de desbetreffende inrichting dienen uiterlijk 240 dagen nadat dit Verdrag voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden te worden geplaatst. Het is de inspecteurs toegestaan elke inrichting voor de produktie van chemische wapens te bezoeken voor het aanbrengen van die zegels of uitrusting.

51.

Het is het Technisch Secretariaat toegestaan elk kalenderjaar ten hoogste vier inspecties van elke inrichting voor de produktie van chemische wapens te verrichten.

52.

De Directeur-Generaal stelt de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag in kennis van zijn besluit een inrichting voor de produktie van chemische wapens te inspecteren of te bezoeken, zulks 48 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam in de inrichting ten behoeve van systematische inspecties of bezoeken. In geval van inspecties of bezoeken ter oplossing van dringende problemen kan deze termijn worden bekort. De Directeur-Generaal dient het doel van de inspectie of het bezoek aan te geven.

53.

De inspecteurs hebben, in overeenstemming met de inrichtingsakkoorden, onbelemmerde toegang tot alle delen van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens. De door de inspecteurs te inspecteren voorwerpen, vermeld op de opgegeven inventarislijst, worden door de inspecteurs gekozen.

54.

De richtlijnen ter vaststelling van de frequentie van systematische inspecties ter plaatse zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i. De bepaalde te inspecteren produktie-inrichting dient op zodanige wijze door het Technisch Secretariaat te worden gekozen dat het niet mogelijk is precies te voorspellen wanneer de inrichting zal worden geïnspecteerd.

Verificatie van de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens

55.

De systematische verificatie van de vernietiging van inrichtingen voor de produktie van chemische wapens heeft tot doel te bevestigen dat de inrichting wordt vernietigd in overeenstemming met de verplichtingen ingevolge dit Verdrag en dat elk op de opgegeven inventarislijst vermeld voorwerp wordt vernietigd in overeenstemming met het overeengekomen gedetailleerde vernietigingsplan.

56.

Wanneer alle op de opgegeven inventarislijst vermelde voorwerpen zijn vernietigd, bevestigt het Technisch Secretariaat de daartoe strekkende verklaring van de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Na deze bevestiging beëindigt het Technisch Secretariaat de systematische verificatie van de inrichting voor de produktie van chemische wapens en verwijdert het alle door de inspecteurs opgestelde toestellen en controle-instrumenten.

57.

Na deze bevestiging dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag te verklaren dat de inrichting is vernietigd.

Verificatie van de tijdelijke conversie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens in een inrichting voor de vernietiging van chemische wapens

58.

Tot uiterlijk 90 dagen na de ontvangst van de eerste kennisgeving van het voornemen een produktie-inrichting tijdelijk te converteren, hebben de inspecteurs het recht de inrichting te bezoeken om zich vertrouwd te maken met de voorgestelde tijdelijke conversie en om mogelijke inspectiemaatregelen te bestuderen die noodzakelijk zijn gedurende de conversie.

59.

Uiterlijk 60 dagen na bedoeld bezoek dienen het Technisch Secretariaat en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag een voorlopig akkoord te sluiten dat extra inspectiemaatregelen bevat voor de tijdelijke conversieperiode. In het voorlopig akkoord dienen de inspectieprocedures te worden vermeld, met inbegrip van het gebruik van zegels, controle-apparatuur en inspecties, die het vertrouwen moeten wekken dat er geen produktie van chemische wapens plaatsvindt gedurende het conversieproces. Dit akkoord blijft van kracht vanaf het begin van de tijdelijke conversie totdat de inrichting in gebruik wordt genomen als inrichting voor de vernietiging van chemische wapens.

60.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag mag geen enkel deel van de inrichting verwijderen of converteren, noch zegels of andere overeengekomen inspectie-uitrusting verwijderen of wijzigen die ingevolge dit Verdrag zijn aangebracht voordat het voorlopige akkoord is gesloten.

61.

Zodra de inrichting in gebruik wordt genomen als inrichting voor de vernietiging van chemische wapens, valt deze onder de bepalingen van Afdeling IV (A) van deze Bijlage die van toepassing zijn op vernietigingsinrichtingen. Regelingen voor de aan die ingebruikneming voorafgaande periode worden bepaald in het voorlopig akkoord.

62.

Gedurende de vernietigingsactiviteiten hebben de inspecteurs toegang tot alle delen van de tijdelijk geconverteerde inrichtingen voor de produktie van chemische wapens, met inbegrip van die delen die niet rechtstreeks zijn betrokken bij de vernietiging van chemische wapens.

63.

Vóór de aanvang van de werkzaamheden in een inrichting om deze tijdelijk te converteren ten behoeve van de vernietiging van chemische wapens en nadat deze geen dienst meer doet als vernietigingsinrichting, valt de inrichting onder de bepalingen van deze Afdeling die van toepassing zijn op inrichtingen voor de produktie van chemische wapens.

D. CONVERSIE VAN INRICHTINGEN VOOR DE PRODUKTIE VAN CHEMISCHE WAPENS VOOR INGEVOLGE DIT VERDRAG NIET VERBODEN DOELEINDEN

Procedures voor verzoeken om conversie

64.

Een verzoek om een inrichting voor de produktie van chemische wapens te mogen gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden kan worden gedaan met betrekking tot elke inrichting die een Staat die Partij is bij dit Verdrag reeds voor die doeleinden gebruikt voordat dit Verdrag voor die Staat in werking treedt, of ten aanzien waarvan hij voornemens is deze voor die doeleinden te gebruiken.

65.

Voor een inrichting voor de produktie van chemische wapens die wordt gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden wanneer dit voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking treedt, dient het verzoek te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, zulks uiterlijk 30 dagen nadat het Verdrag voor die Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden. Het verzoek dient, naast de in overeenstemming met paragraaf 1, letter h, onder iii, verstrekte gegevens, de volgende informatie te omvatten:

  • a.een gedetailleerde uiteenzetting van de gronden voor het verzoek;

  • b.een algemeen conversieplan voor de inrichting waarin is vermeld:

    • i.de aard van de activiteit die in de inrichting zal worden verricht;

    • ii.indien de geplande activiteit de produktie, de be-/verwerking of het verbruik van stoffen omvat: de benaming van elk van de stoffen, een schema van het produktieproces in de inrichting, en de hoeveelheden die volgens de planning jaarlijks zullen worden geproduceerd, be-/verwerkt of verbruikt;

    • iii.welke gebouwen of bouwwerken zullen worden gebruikt en welke wijzigingen eventueel nodig zijn;

    • iv.welke gebouwen of bouwwerken zijn vernietigd of zullen worden vernietigd, te zamen met de vernietigingsplannen;

    • v.welke apparatuur in de inrichting zal worden gebruikt;

    • vi.welke apparatuur is verwijderd en vernietigd en welke apparatuur zal worden verwijderd en vernietigd, te zamen met de vernietigingsplannen;

    • vii.het voorgestelde conversieschema, indien van toepassing; en

    • viii.de aard van de activiteit in elke andere inrichting die in werking is op het complex; en

  • c.een gedetailleerde uiteenzetting met betrekking tot de vraag hoe de in letter b bedoelde maatregelen, alsmede alle andere door de Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde maatregelen, zullen garanderen dat de aanwezigheid van reservecapaciteit voor de produktie van chemische wapens in de inrichting wordt voorkomen.

66.

Voor een inrichting voor de produktie van chemische wapens die niet wordt gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden wanneer dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking treedt, dient het verzoek te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, zulks uiterlijk 30 dagen na het besluit tot conversie, doch in geen geval later dan vier jaar nadat dit Verdrag voor die Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden. Het verzoek dient de volgende informatie te omvatten:

  • a.een gedetailleerde uiteenzetting van de gronden van het verzoek, met inbegrip van de economische noodzaak daarvan;

  • b.een algemeen conversieplan voor de inrichting waarin is vermeld:

    • i.de aard van de activiteit die in de inrichting zal worden verricht;

    • ii.indien de geplande activiteit de produktie, de be-/verwerking of het verbruik van stoffen omvat: de benaming van elk van de stoffen, een schema van het produktieproces in de inrichting, en de hoeveelheden die volgens de planning jaarlijks zullen worden geproduceerd, be-/verwerkt of verbruikt;

    • iii.welke gebouwen of bouwwerken zullen worden behouden en welke wijzigingen eventueel nodig zijn;

    • iv.welke gebouwen of bouwwerken zijn vernietigd of zullen worden vernietigd, te zamen met de vernietigingsplannen;

    • v.welke apparatuur inde inrichting zal worden gebruikt;

    • vi.welke apparatuur zal worden verwijderd en vernietigd, te zamen met de vernietigingsplannen;

    • vii.het voorgestelde conversieschema; en

    • viii.de aard van de activiteit in elke andere inrichting die in werking is op het complex; en

  • c.een gedetailleerde uiteenzetting met betrekking tot de vraag hoe de in letter b bedoelde maatregelen, alsmede alle andere door de Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde maatregelen, zullen garanderen dat de aanwezigheid van reservecapaciteit voor de produktie van chemische wapens in de inrichting wordt voorkomen.

67.

De Staat die Partij is bij dit Verdrag kan in zijn verzoek alle andere maatregelen voorstellen die hij passend acht om vertrouwen te wekken.

Handelingen in afwachting van een besluit

68.

In afwachting van een besluit van de Conferentie kan een Staat die Partij is bij dit Verdrag een inrichting blijven gebruiken voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden indien die inrichting daarvoor werd gebruikt voordat dit Verdrag voor die Staat in werking treedt, doch slechts indien de Staat die Partij is bij dit Verdrag in zijn verzoek bevestigt dat er geen speciale apparatuur en geen speciale gebouwen worden gebruikt en dat de speciale apparatuur en de speciale gebouwen buiten gebruik zijn gesteld op de in paragraaf 13 genoemde wijzen.

69.

Indien de inrichting waarop het verzoek betrekking heeft, niet werd gebruikt voor ingevolge het Verdrag niet verboden doeleinden voordat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking treedt, of indien de in paragraaf 68 bedoelde bevestiging achterwege blijft, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk alle activiteiten te beëindigen overeenkomstig artikel V, vierde lid. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de inrichting te sluiten in overeenstemming met paragraaf 13, zulks uiterlijk 90 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden.

Voorwaarden voor de conversie

70.

Als voorwaarde voor de conversie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden dient alle speciale apparatuur in de inrichting te worden vernietigd en dienen alle bijzondere kenmerken van gebouwen en bouwwerken die deze onderscheiden van gebouwen en bouwwerken die normaal worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden en waarbij geen stoffen van Lijst 1 zijn betrokken, te worden verwijderd.

71.

Een geconverteerde inrichting mag niet worden gebruikt:

  • a.voor een activiteit waarbij sprake is van de produktie, de be-/verwerking of het verbruik van een stof van Lijst 1 of Lijst 2; of

  • b.voor de produktie van een stof met een hoge toxiciteit, met inbegrip van alle hoogtoxische organische fosforverbindingen, of voor enige andere activiteit waarbij speciale apparatuur benodigd is voor de behandeling van hoogtoxische of zeer bijtende chemische stoffen, tenzij de Uitvoerende Raad besluit dat die produktie of activiteit geen risico inhoudt voor de doelstelling van dit Verdrag, rekening houdend met de criteria voor toxiciteit, de bijtende eigenschappen en, indien van toepassing, andere technische factoren, die zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

72.

De conversie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens dient uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te zijn voltooid.

72 bis.

Indien een Staat dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de termijn van zes jaar voor conversie als vervat in paragraaf 72, stelt de Raad, tijdens haar tweede daaropvolgende reguliere zitting, een uiterste termijn vast voor het indienen van een verzoek tot conversie van een inrichting voor de productie van chemische wapens voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden. Bij haar besluit een dergelijk verzoek goed te keuren, ingevolge paragraaf 75, stelt de Conferentie een zo kort mogelijke termijn vast voor de voltooiing van de conversie. De conversie wordt zo spoedig mogelijk voltooid, doch in geen geval later dan zes jaar nadat het Verdrag door de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden. Tenzij gewijzigd in deze paragraaf, blijven alle bepalingen van Deel D van deze Afdeling van deze Bijlage van toepassing.

Besluiten van de Uitvoerende Raad en de Conferentie

73.

Uiterlijk 90 dagen na de ontvangst van het verzoek door de Directeur-Generaal wordt een eerste inspectie van de inrichting verricht door het Technisch Secretariaat. Deze inspectie heeft tot doel te bepalen of de in het verzoek verstrekt informatie accuraat is, informatie te verkrijgen over de technische kenmerken van de te converteren inrichting, en de voorwaarden vast te stellen waaronder gebruik voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden kan worden toegestaan. De Directeur-Generaal dient onverwijld een rapport in bij de Uitvoerende Raad, de Conferentie en alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, dat zijn aanbevelingen bevat betreffende de maatregelen die nodig zijn om de inrichting te converteren voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden en om de zekerheid te bieden dat de geconverteerde inrichting slechts zal worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden.

74.

Indien de inrichting is gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden voordat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking treedt, en in gebruik blijft, doch de ingevolge paragraaf 68 te bevestigen maatregelen niet zijn genomen, doet de Directeur-Generaal hiervan onmiddellijk kennisgeving aan de Uitvoerende Raad, die de uitvoering kan verlangen van de maatregelen die hij passend acht, onder andere, stillegging van de inrichting en verwijdering van de speciale apparatuur en wijziging van de gebouwen of bouwwerken. De Uitvoerende Raad stelt een termijn voor de uitvoering van deze maatregelen vast en schorst de behandeling van het verzoek zolang de uitvoering daarvan niet op bevredigende wijze is voltooid. De inrichting wordt onmiddellijk na het verstrijken van de termijn geïnspecteerd, ten einde vast te stellen of de maatregelen zijn uitgevoerd. Indien deze niet zijn uitgevoerd, is de Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht alle activiteiten in de inrichting volledig te staken.

75.

Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het rapport van de Directeur-Generaal besluit de Conferentie, op aanbeveling van de Uitvoerende Raad, met inachtneming van het rapport en de standpunten van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, of zij het verzoek goedkeurt, en stelt zij de aan de goedkeuring te verbinden voorwaarden vast. Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag bezwaar maakt tegen de goedkeuring van het verzoek en de daaraan verbonden voorwaarden, wordt gedurende ten hoogste 90 dagen overleg gevoerd tussen de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, ten einde een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden. Een besluit over het verzoek en de daaraan verbonden voorwaarden, te zamen met eventuele voorgestelde wijzigingen daarop, dient, als inhoudelijke aangelegenheid, zo spoedig mogelijk na het einde van de overlegtermijn te worden genomen.

76.

Indien het verzoek wordt goedgekeurd, dient uiterlijk 90 dagen nadat het besluit is genomen een inrichtingsakkoord tot stand te zijn gekomen. Het inrichtingsakkoord dient de voorwaarden te omvatten waaronder de conversie en het gebruik van de inrichting is toegestaan, met inbegrip van maatregelen tot verificatie. De conversie mag niet beginnen voordat het inrichtingsakkoord is gesloten.

Gedetailleerde conversieplannen

77.

Ten minste 180 dagen vóór het geplande begin van de conversie van een inrichting voor de produktie van chemische wapens dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag aan het Technisch Secretariaat een gedetailleerd plan voor de conversie van de inrichting te verstrekken, met inbegrip van voorgestelde maatregelen tot verificatie van de conversie, met betrekking tot onder andere:

  • a.bepaling van het tijdstip waarop de inspecteurs in de te converteren inrichting aanwezig zijn; en

  • b.procedures voor de verificatie van de maatregelen die ten aanzien van elk in de opgegeven inventarislijst vermeld voorwerp moeten worden genomen.

78.

Het gedetailleerde conversieplan voor elke inrichting voor de produktie van chemische wapens dient te omvatten:

  • a.een gedetailleerd tijdschema voor het conversieproces;

  • b.de indeling van de inrichting vóór en na de conversie;

  • c.een schema van het produktieproces in de inrichting vóór en, indien van toepassing, na de conversie;

  • d.een gedetailleerde inventarislijst van de apparatuur, gebouwen en bouwwerken en andere voorwerpen die zullen worden vernietigd en van de gebouwen en bouwwerken die zullen worden veranderd;

  • e.eventuele maatregelen die ten aanzien van elk op de inventarislijst vermeld voorwerp dienen te worden genomen;

  • f.de voorgestelde maatregelen tot verificatie;

  • g.de gedurende de conversie van de inrichting in acht te nemen beveiligings-/veiligheidsmaatregelen; en

  • h.de werk- en woonomstandigheden die de inspecteurs worden geboden.

Beoordeling van de gedetailleerde plannen

79.

Op basis van het gedetailleerde conversieplan en de voorgestelde maatregelen tot verificatie die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag zijn ingediend, en op grond van de ervaring die bij eerdere inspectie is opgedaan, stelt het Technisch Secretariaat een plan op voor de verificatie van de conversie van de inrichting, zulks in nauw overleg met de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Eventuele verschillen van mening tussen het Technisch Secretariaat en de Staat die Partij is bij dit Verdrag omtrent de passende maatregelen dienen te worden opgelost door middel van overleg. Eventuele onopgeloste aangelegenheden dienen te worden voorgelegd aan de Uitvoerende Raad, opdat deze passende stappen onderneemt ter vergemakkelijking van de volledige uitvoering van dit Verdrag.

80.

Om te verzekeren dat wordt voldaan aan de bepalingen van artikel V en deze Afdeling, dient tussen de Uitvoerende Raad en de Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenstemming te worden bereikt over de gecombineerde plannen voor de conversie en verificatie. Deze overeenstemming dient ten minste 60 dagen voor de geplande aanvang van de conversie tot stand te zijn gekomen.

81.

Elk lid van de Uitvoerende Raad kan met het Technisch Secretariaat overleg plegen over aangelegenheden betreffende de adequaatheid van het gecombineerde plan voor de conversie en verificatie. Indien geen van de leden van de Uitvoerende Raad daartegen bezwaar maakt, treedt het plan in werking.

82.

Indien er problemen zijn, treedt de Uitvoerende Raad in overleg met de Staat die Partij is bij dit Verdrag om deze te verhelpen. Indien er problemen zijn die onopgelost blijven, worden deze voorgelegd aan de Conferentie. Het oplossen van verschillen van mening over de wijzen van conversie mag de uitvoering van andere delen van het conversieplan die wel aanvaardbaar zijn niet vertragen.

83.

Indien met de Uitvoerende Raad geen overeenstemming wordt bereikt over aspecten van de verificatie, of indien het goedgekeurde verificatieplan niet kan worden uitgevoerd, geschiedt de verificatie van de conversie door middel van constante controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten en inspecteurs die lijfelijk aanwezig zijn.

84.

De conversie en verificatie dienen te geschieden overeenkomstig het overeengekomen plan. De verificatie mag het conversieproces niet onnodig hinderen en dient te geschieden door inspecteurs die lijfelijk aanwezig zijn om de conversie gade te slaan.

85.

Gedurende 10 jaar nadat de Directeur-Generaal heeft bevestigd dat de conversie voltooid is, dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag de inspecteurs te allen tijde onbelemmerde toegang tot de inrichting te verlenen. De inspecteurs hebben het recht alle ruimten, alle activiteiten en alle exemplaren van apparatuur in de inrichting te bekijken. De inspecteurs hebben het recht te verifiëren dat de activiteiten in de inrichting in overeenstemming zijn met alle ingevolge deze Titel door de Uitvoerende Raad en de Conferentie gestelde voorwaarden. De inspecteurs hebben tevens het recht, in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling II, Titel E, van deze Bijlage, om monsters te ontvangen uit elke ruimte in de inrichting en deze te analyseren, ten einde te verifiëren dat er geen stoffen van Lijst 1, noch stabiele bijprodukten en afbraakprodukten daarvan, en geen stoffen van Lijst 2 aanwezig zijn, en te verifiëren dat de activiteiten in de inrichting in overeenstemming zijn met alle andere voorwaarden inzake chemische activiteiten die ingevolge deze Titel door de Uitvoerende Raad en de Conferentie zijn gesteld. De inspecteurs hebben ook recht op gereguleerde toegang in overeenstemming met Afdeling X, Titel C, van deze Bijlage, tot het fabriekscomplex waar de inrichting is gelegen. Gedurende dit tijdvak van 10 jaar dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag jaarlijks verslag te doen van de activiteiten in de geconverteerde inrichting. Na afloop van dit tijdvak van 10 jaar neemt de Uitvoerende Raad, met inachtneming van de aanbevelingen van het Technisch Secretariaat, een besluit over de aard van de voorgezette verificatiemaatregelen.

86.

De kosten van de verificatie van de geconverteerde inrichting worden gedeeld in overeenstemming met artikel V, negentiende lid.

AFDELING VI. Ingevolge dit Verdrag niet verboden activiteiten in overeenstemming met artikel VI

Regime voor stoffen van lijst 1 en met die stoffen verband houdende inrichtingen

A. ALGEMENE BEPALINGEN

1.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag stoffen van Lijst 1 niet produceren, verkrijgen, in bezit houden of gebruiken buiten de grondgebieden van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag en mag die stoffen niet overdragen aan iemand buiten zijn grondgebied, behalve aan een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag.

2.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag stoffen van Lijst 1 niet produceren, verkrijgen, in bezit houden, overdragen of gebruiken, tenzij:

  • a.de stoffen worden gebruikt voor onderzoeksdoeleinden, voor medische of farmaceutische doeleinden of beschermingsdoeleinden; en

  • b.de soorten en hoeveelheden stoffen strikt beperkt blijven tot de soorten en hoeveelheden die voor die doeleinden te rechtvaardigen zijn; en

  • c.de totale hoeveelheid van die stoffen die voor die doeleinden wordt gebruikt telkens gelijk is aan, of kleiner is dan, 1 ton; en

  • d.de totale hoeveelheid die een Staat die Partij is bij dit Verdrag per jaar voor die doeleinden verwerft door middel van produktie, onttrekking aan voorraden van chemische wapens en overdracht, gelijk is aan, of kleiner is dan, 1 ton.

B. OVERDRACHTEN

3.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag mag stoffen van Lijst 1 slechts buiten zijn grondgebied brengen om deze over te dragen aan een andere Staat die Partij is bij dit Verdrag, zulks voor onderzoeksdoeleinden, medische of farmaceutische doeleinden of beschermingsdoeleinden overeenkomstig paragraaf 2.

4.

Overgedragen stoffen mogen niet verder worden overgedragen aan een derde Staat.

5.

Beide Staten die Partij zijn bij dit Verdrag dienen het Technisch Secretariaat ten minste 30 dagen van tevoren van een onderlinge overdracht in kennis te stellen.

5 bis.

Voor hoeveelheden van 5 milligram of minder geldt voor de chemische stof van Lijst I saxitoxine niet de in paragraaf 5 genoemde termijn van kennisgeving indien de overdracht plaatsvindt voor medische of diagnostische doeleinden. In die gevallen vindt de kennisgeving plaats voorafgaand aan de overdracht.

6.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient een gedetailleerde jaaropgave te doen van de overdrachten gedurende het voorgaande jaar. De opgave dient uiterlijk 90 dagen na het einde van het jaar te worden ingediend en dient voor elke stof van Lijst 1 die is overgedragen de volgende informatie te omvatten:

  • a.de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

  • b.de hoeveelheid die is verkregen van of overgedragen aan andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Per overdracht dienen de hoeveelheid, de ontvanger en het doel te worden vermeld.

C. PRODUKTIE

Algemene beginselen voor produktie

7.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient tijdens de produktie ingevolge de paragrafen 8 tot en met 12 de hoogste prioriteit toe te kennen aan het waarborgen van de veiligheid van personen en aan de bescherming van het milieu. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient die produktie te doen plaatsvinden in overeenstemming met zijn nationale veiligheids- en emissienormen.

Afzonderlijke kleinschalige inrichting

8.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag die stoffen van Lijst 1 produceert voor onderzoeksdoeleinden, medische of farmaceutische doeleinden of beschermingsdoeleinden, dient de produktie te doen plaatsvinden in een afzonderlijke kleine, door de Staat die Partij is bij dit Verdrag goedgekeurde, inrichting, behoudens het in de paragrafen 10, 11 en 12 bepaalde.

9.

De produktie in een afzonderlijke kleinschalige inrichting dient plaats te vinden in reactievaten in produktielijnen die zich niet lenen voor continubedrijf. Het volume van zo’n reactievat mag niet groter zijn dan 100 liter en het totale volume van alle reactievaten met een volume van meer dan 5 liter mag niet groter zijn dan 500 liter.

Andere inrichtingen

10.

De produktie van stoffen van Lijst 1 in totale hoeveelheden van ten hoogste 10 kg per jaar mag voor beschermingsdoeleinden plaatsvinden in één inrichting buiten een afzonderlijke kleinschalige inrichting. Deze inrichting dient door de Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden goedgekeurd.

11.

De produktie van stoffen van Lijst 1 in hoeveelheden van meer dan 100 g per jaar mag voor onderzoeksdoeleinden of medische dan wel farmaceutische doeleinden plaatsvinden buiten een afzonderlijke kleinschalige inrichting in totale hoeveelheden van ten hoogste 10 kg per jaar per inrichting. Deze inrichtingen dienen door de Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden goedgekeurd.

12.

Het synthetiseren van stoffen voor onderzoeksdoeleinden of medische dan wel farmaceutische doeleinden, doch niet voor beschermingsdoeleinden, kan plaatsvinden in laboratoria in totale hoeveelheden onder de 100 g per jaar per inrichting. Voor deze inrichtingen geldt geen enkele verplichting met betrekking het doen van opgaven en het verifiëren als genoemd in de Titels D en E.

D. OPGAVEN

Afzonderlijke kleinschalige inrichting

13.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag die voornemens is een afzonderlijke kleinschalige inrichting in gebruik te nemen, dient aan het Technisch Secretariaat de exacte ligging mede te delen en een gedetailleerde technische beschrijving van de inrichting te verstrekken, met inbegrip van een inventarislijst van de apparatuur en gedetailleerde schema’s. Voor bestaande inrichtingen dient deze eerste opgave uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden te worden gedaan. Eerste opgaven betreffende nieuwe inrichtingen dienen ten minste 180 dagen voor de ingebruikneming te worden verstrekt.

14.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient van tevoren kennisgeving te doen aan het Technisch Secretariaat van geplande veranderingen ten opzichte van de eerste opgave. De kennisgeving dient ten minste 180 dagen voordat de veranderingen plaatsvinden te worden gedaan.

15.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die stoffen van Lijst 1 produceert in een afzonderlijke kleinschalige inrichting dient een gedetailleerde jaaropgave te doen betreffende de activiteiten van de inrichting in het voorgaande jaar. De opgave dient uiterlijk 90 dagen na het einde van dat jaar te worden verstrekt en dient te omvatten:

  • a.een aanduiding van de aard van de inrichting:

  • b.voor elke stof van Lijst 1 die in de inrichting is geproduceerd, verkregen, verbruikt of opgeslagen, de volgende informatie:

    • i.de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de toegepaste methoden en geproduceerde hoeveelheden;

    • iii.de benaming en de hoeveelheid van de voorlopers als genoemd in de Lijsten 1, 2 of 3 die voor de produktie van stoffen van Lijst 1 zijn gebruikt;

    • iv.de hoeveelheid die in de inrichting is verbruikt en de doeleinden van het verbruik;

    • v.de hoeveelheid die is ontvangen van of overgebracht naar andere inrichtingen in de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Voor elke zending dienen de hoeveelheid, de ontvanger en de doeleinden te worden vermeld;

    • vi.de maximale hoeveelheid die op enig tijdstip gedurende het jaar was opgeslagen; en

    • vii.de hoeveelheid die aan het einde van het jaar was opgeslagen; en

  • c.informatie over veranderingen in de inrichtingen gedurende het jaar ten opzichte van eerder verstrekte gedetailleerde technische beschrijvingen van de inrichting, met inbegrip van inventarislijsten van apparatuur en gedetailleerde schema’s.

16.

. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag die stoffen van Lijst 1 produceert in een afzonderlijke kleinschalige inrichting dient een gedetailleerde jaaropgave te doen betreffende de geplande activiteiten en de verwachte produktie in de inrichting in het komende jaar. De opgave dient ten minste 90 dagen vóór het begin van dat jaar te worden ingediend en dient te omvatten:

  • a.een aanduiding van de aard van de inrichting;

  • b.voor elke stof van Lijst 1 die naar verwachting in de inrichting zal worden geproduceerd, verbruikt of opgeslagen, de volgende informatie:

    • i.de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de hoeveelheid die naar verwachting zal worden geproduceerd en de doeleinden van de produktie; en

  • c.informatie over verwachte veranderingen in de inrichting gedurende het jaar ten opzichte van eerder verstrekte gedetailleerde technische beschrijvingen van de inrichting, met inbegrip van inventarislijsten van apparatuur en gedetailleerde schema’s.

Andere inrichtingen als bedoeld in de paragrafen 10 en 11

17.

Voor elke inrichting dient een Staat die Partij is bij dit Verdrag het Technisch Secretariaat de naam, de ligging en een gedetailleerde technische beschrijving van de inrichting te verstrekken, of van het desbetreffende deel of de desbetreffende delen waarom het Technische Secretariaat verzoekt. De inrichting die stoffen van Lijst 1 produceert dient in het bijzonder te worden aangeduid. Voor bestaande inrichtingen dient deze eerste opgave uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor de Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden te worden verstrekt. Eerste opgaven betreffende nieuwe inrichtingen dienen ten minste 180 dagen vóór de ingebruikneming te worden verstrekt.

18.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het Technisch Secretariaat van tevoren in kennis te stellen van voorgenomen veranderingen ten opzichte van de eerste opgave. Deze kennisgeving dient ten minste 180 dagen voordat de veranderingen zullen plaatsvinden te worden ingediend.

19.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient voor elke inrichting een gedetailleerde jaaropgave te doen betreffende de activiteiten van de inrichting in het voorgaande jaar, De opgave dient uiterlijk 90 dagen na het einde van dat jaar te worden verstrekt en dient te omvatten:

  • a.een aanduiding van de aard van de inrichting;

  • b.voor elke stof van Lijst 1 de volgende informatie:

    • i.de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de geproduceerde hoeveelheid en, in geval van produktie voor beschermingsdoeleinden, de toegepaste methoden;

    • iii.de benaming en de hoeveelheid van de voorlopers als genoemd in de Lijsten 1, 2 of 3 die voor de produktie van stoffen van Lijst 1 zijn gebruikt;

    • iv.de hoeveelheid die in de inrichting is verbruikt en de doeleinden van het verbruik;

    • v.de hoeveel die is overgedragen aan andere inrichtingen binnen de Staat die Partij is bij dit Verdrag. Voor elke overdracht dienen de hoeveelheid, de ontvanger en de doeleinden te worden vermeld;

    • vi.de grootste hoeveelheid die op enig tijdstip gedurende het jaar was opgeslagen; en

    • vii.de hoeveelheid die aan het einde van het jaar was opgeslagen; en

  • c.informatie over veranderingen in de inrichting of de desbetreffende delen daarvan gedurende het jaar ten opzichte van eerder verstrekte gedetailleerde technische beschrijvingen van de inrichting.

20.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient voor elke inrichting een gedetailleerde jaaropgave te doen betreffende de geplande activiteiten en de verwachte produktie in de inrichting in het komende jaar. De opgave dient ten minste 90 dagen vóór het begin van dat jaar te worden ingediend en dient te omvatten:

  • a.een aanduiding van de aard van de inrichting;

  • b.voor elke stof van Lijst 1 de volgende informatie:

    • i.de chemische benaming, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de hoeveelheid die naar verwachting zal worden geproduceerd, de tijdvakken waarin de produktie naar verwachting zal plaatsvinden en de doeleinden van de produktie; en

  • c.informatie over verwachte veranderingen in de inrichting gedurende het jaar ten opzichte van eerder verstrekte gedetailleerde technische beschrijvingen van de inrichting.

E. VERIFICATIE

Afzonderlijke kleinschalige inrichting

21.

Verificatie-activiteiten in de afzonderlijke kleinschalige inrichting hebben tot doel te verifiëren dat de hoeveelheden van geproduceerde stoffen van Lijst 1 juist worden opgegeven en, in het bijzonder, dat de totale hoeveelheid daarvan niet groter is dan 1 ton.

22.

De inrichting is onderworpen aan systematische verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten.

23.

Het aantal, de intensiteit, de duur, de tijdstippen en de wijze van de inspecties voor een bepaalde inrichting dienen te zijn gebaseerd op het risico dat de desbetreffende stoffen, de kenmerken van de inrichting en de aard van de aldaar verrichte activiteiten vormen voor voorwerp en doel van het Verdrag. Passende richtlijnen zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

24.

De eerste inspectie heeft tot doel de met betrekking tot de inrichting verstrekte informatie te verifiëren, met inbegrip van verificatie van de beperkingen voor reactievaten als bedoeld in paragraaf 9.

25.

Uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden dient deze met de Organisatie een inrichtingsakkoord te sluiten, op basis van het modelakkoord, dat gedetailleerde inspectieprocedures voor de inrichting regelt.

26.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag die voornemens is een afzonderlijke kleinschalige inrichting op te zetten nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, dient voordat hij deze in gebruik neemt met de Organisatie een inrichtingsakkoord te sluiten, op basis van het modelakkoord, dat gedetailleerde inspectieprocedures voor de inrichting regelt.

27.

Een model voor de akkoorden zal worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

Andere inrichtingen als bedoeld in de paragrafen 10 en 11

28.

De verificatie van de activiteiten in een inrichting als bedoeld in de paragrafen 10 en 11 heeft tot doel te verifiëren dat:

  • a.de inrichting niet wordt gebruikt voor de produktie van stoffen van Lijst 1, uitgezonderd de opgegeven stoffen;

  • b.de geproduceerde, be-/verwerkte of verbruikte hoeveelheden stoffen van Lijst 1 juist zijn opgegeven en in overeenstemming zijn met de behoeften voor het opgegeven doel; en

  • c.de stof van Lijst 1 niet een andere bestemming krijgt of niet voor andere doeleinden wordt gebruikt.

29.

De inrichting is onderworpen aan systematische verificatie door middel van inspectie ter plaatse en controle met behulp van ter plaatse opgestelde instrumenten.

30.

Het aantal, de intensiteit, de duur, de tijdstippen en de wijze van de inspecties voor een bepaalde inrichting dienen te zijn gebaseerd op het risico dat de hoeveelheden van de geproduceerde stoffen, de kenmerken van de inrichting en de aard van de aldaar verrichte activiteiten vormen voor voorwerp en doel van het Verdrag. Passende richtlijnen zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

31.

Uiterlijk 180 dagen nadat dit Verdrag voor een Staat die Partij is bij dit Verdrag in werking is getreden dient deze met de Organisatie inrichtingsakkoorden te sluiten, op basis van het modelakkoord, dat gedetailleerde inspectieprocedures voor elke inrichting regelt.

32.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag die voornemens is een zodanige inrichting op te zetten nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden, dient voordat hij deze in gebruik neemt met de Organisatie een inrichtingsakkoord te sluiten.

AFDELING VII. Ingevolge dit Verdrag niet verboden activiteiten in overeenstemming met artikel VI

Regime voor stoffen van lijst 2 en met die stoffen verband houdende inrichtingen

A. OPGAVEN

Opgaven van totale nationale gegevens

1.

De door elke Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge artikel VI, zevende en achtste lid, te verstrekken eerste opgave en jaaropgaven dienen de totale nationale gegevens over het voorgaande kalenderjaar te omvatten betreffende de geproduceerde, be-/ verwerkte, verbruikte, ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheden van elke stof van Lijst 2, met vermelding van de in- en uitgevoerde hoeveelheden voor elk betrokken land.

2.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te verstrekken:

  • a.de eerste opgave ingevolge paragraaf 1 uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden; en, met ingang van het volgende kalenderjaar,

  • b.jaaropgaven uiterlijk 90 dagen na het einde van het voorgaande kalenderjaar.

Opgaven van fabriekscomplexen die stoffen van Lijst 2 produceren, be-/verwerken of verbruiken

3.

Een eerste opgave en jaaropgaven zijn vereist voor alle fabriekscomplexen die één of meer fabrieken omvatten die in één van de drie voorgaande kalenderjaren hebben geproduceerd, be-/verwerkt of verbruikt, dan wel in het komende kalenderjaar naar verwachting zullen produceren, be-/verwerken of verbruiken meer dan:

  • a.1 kg van een stof die in Lijst 2, deel A, met een „*” is aangeduid;

  • b.100 kg van een andere in Lijst 2, deel A, vermelde stof; of

  • c.1 ton van een in Lijst 2, deel B, vermelde stof.

4.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te verstrekken:

  • a.de eerste opgave ingevolge paragraaf 3 uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden; en, met ingang van het volgende kalenderjaar,

  • b.jaaropgaven betreffende activiteiten in het verleden uiterlijk 90 dagen na het einde van het voorgaande kalenderjaar;

  • c.jaaropgaven betreffende verwachte activiteiten uiterlijk 60 dagen voor het begin van het volgende kalenderjaar. Elke activiteit die extra wordt gepland na het verstrekken van de jaaropgave dient uiterlijk vijf dagen voordat die activiteit begint te worden opgegeven.

5.

Opgaven ingevolge paragraaf 3 zijn in het algemeen niet vereist voor mengsels met een laag gehalte van een stof van Lijst 2. Zij zijn slechts vereist, in overeenstemming met de richtlijnen, ingeval het gemak waarmee de stof van Lijst 2 uit het mengsel kan worden teruggewonnen alsmede de totale hoeveelheid daarvan worden geacht een risico te vormen voor voorwerp en doel van dit Verdrag. Deze richtlijnen zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

6.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen te omvatten:

  • a.de naam van het fabriekscomplex en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging en het adres; en

  • c.het aantal fabrieken binnen het fabriekscomplex die zijn opgegeven ingevolge Afdeling VIII van deze Bijlage.

7.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen voor elke binnen het fabriekscomplex gelegen fabriek die onder paragraaf 3 valt, de volgende informatie te omvatten:

  • a.de naam van de fabriek en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging binnen het fabriekscomplex onder vermelding van het eventuele nummer van het gebouw of bouwwerk;

  • c.de voornaamste activiteiten ervan;

  • d.informatie waaruit blijkt of de fabriek:

    • i.de opgegeven stof(fen) van Lijst 2 produceert, be-/verwerkt of verbruikt;

    • ii.speciaal bedoeld is voor die activiteiten of voor verscheidene doeleinden geschikt is; en

    • iii.andere activiteiten verricht met betrekking tot de opgegeven stof(fen) van Lijst 2 en, zo ja, welke (b.v. opslag); en

  • e.de produktiecapaciteit van de fabriek voor elke opgegeven stof van Lijst 2.

8.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen tevens de volgende informatie te omvatten betreffende elke stof van Lijst 2 boven de drempelwaarde:

  • a.de chemische benaming, de door de inrichting gehanteerde gangbare naam of handelsnaam, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

  • b.bij de eerste opgave: de totale door het fabriekscomplex geproduceerde, be-/verwerkte, verbruikte, ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheid in elk van de drie voorgaande kalenderjaren;

  • c.bij de jaaropgave betreffende activiteiten in het verleden: de totale door het fabriekscomplex geproduceerde, be-/verwerkte, verbruikte, ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheid in het voorgaande kalenderjaar;

  • d.bij de opgave betreffende verwachte activiteiten: de verwachte totale door het fabriekscomplex te produceren, be-/verwerken of verbruiken hoeveelheid in het volgende kalenderjaar, met inbegrip van de verwachte tijdvakken van produktie, be-/verwerking of verbruik; en

  • e.de doeleinden waarvoor de stof werd of zal worden geproduceerd, be-/verwerkt of verbruikt:

    • i.be-/verwerking en verbruik ter plaatse, onder vermelding van de soorten produkten;

    • ii.verkoop of overdracht binnen het grondgebied of naar enige andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van de Staat die Partij is bij dit Verdrag, onder vermelding of het een andere industrie, handelaar of andere bestemming betreft en, indien mogelijk, onder vermelding van de soorten eindprodukten;

    • iii.rechtstreekse uitvoer, onder vermelding van de betrokken Staten; of

    • iv.andere doeleinden, onder vermelding van deze andere bestemmingen.

Opgaven betreffende de produktie van stoffen van Lijst 2 in het verleden ten behoeve van chemische wapens

9.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden alle fabriekscomplexen op te geven die fabrieken omvatten die op enig tijdstip sinds 1 januari 1946 een stof van Lijst 2 produceerden ten behoeve van chemische wapens.

10.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 9 dienen te omvatten:

  • a.de naam van het fabriekscomplex en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging en het adres;

  • c.voor elke binnen het fabriekscomplex gelegen fabriek die onder paragraaf 9 valt, dezelfde informatie als bedoeld in paragraaf 7, letters a tot en met e; en

  • d.Voor elke ten behoeve van chemische wapens geproduceerde stof van Lijst 2:

    • i.de chemische benaming, de door het fabriekscomplex gehanteerde gangbare naam of handelsnaam ten behoeve van de produktie van chemische wapens, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de data waarop de stof werd geproduceerd en de geproduceerde hoeveelheid; en

    • iii.de plaats waar de stof is afgeleverd en het aldaar geproduceerde eindprodukt, indien bekend.

Toezending informatie aan Staten die Partij zijn bij dit Verdrag

11.

Een lijst van ingevolge deze Titel opgegeven fabriekscomplexen, te zamen met de ingevolge de paragrafen 6,7, letters a, c en d, onder i en iii, 8, letter a, en 10 verstrekte informatie, wordt op verzoek door het Technisch Secretariaat aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag toegezonden.

B. VERIFICATIE

Algemeen

12.

De in artikel VI, vierde lid, bedoelde verificatie dient te geschieden door middel van inspectie ter plaatse op de opgegeven fabriekscomplexen die één of meer fabrieken omvatten die gedurende één van de drie voorgaande kalenderjaren hebben geproduceerd, be-/verwerkt of verbruikt, dan wel in het komende kalenderjaar naar verwachting zullen produceren, be-/verwerken of verbruiken meer dan:

  • a.10 kg van een stof die in Lijst 2, deel A, met een „*” is aangeduid;

  • b.1 ton van een andere in Lijst 2, deel A, vermelde stof; of

  • c.10 ton van een in Lijst 2, deel B, vermelde stof.

13.

Het programma en de begroting van de Organisatie die moeten worden goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter a, dienen een afzonderlijk programma en een afzonderlijke begroting te omvatten voor de verificatie ingevolge deze Titel. Bij de toewijzing van de beschikbaar gestelde middelen voor verificatie ingevolge artikel VI dient het Technisch Secretariaat gedurende de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag voorrang te geven aan eerste inspecties van ingevolge Titel A opgegeven fabriekscomplexen. De toewijzing dient daarna te worden getoetst aan de hand van de opgedane ervaring.

14.

Het Technisch Secretariaat verricht eerste inspecties en vervolginspecties in overeenstemming met de paragrafen 15 tot en met 22.

Doel van de inspecties

15.

Inspecties hebben in het algemeen tot doel te verifiëren dat de activiteiten in overeenstemming zijn met de verplichtingen ingevolge dit Verdrag en stroken met de in de opgaven te verstrekken informatie. Inspecties van ingevolge Titel A opgegeven fabriekscomplexen hebben in het bijzonder tot doel te verifiëren:

  • a.dat er geen stof van Lijst 1 aanwezig is en dat er met name geen produktie van die stoffen plaatsvindt, tenzij in overeenstemming met Afdeling VI van deze Bijlage;

  • b.dat deze stroken met de opgaven van produktie-, be-/verwerkings- en verbruiksniveaus van stoffen van Lijst 2; en

  • c.dat stoffen van Lijst 2 niet worden aangewend voor ingevolge dit Verdrag verboden activiteiten.

Eerste inspecties

16.

Elk ingevolge paragraaf 12 te inspecteren fabriekscomplex dient zo spoedig mogelijk, doch bij voorkeur uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, een eerste inspectie te ondergaan. Na deze termijn opgegeven fabriekscomplexen dienen uiterlijk een jaar nadat de produktie, de be-/verwerking of het verbruik voor de eerste maal is opgegeven een eerste inspectie te ondergaan. Het kiezen van de fabriekscomplexen voor de eerste inspectie door het Technisch Secretariaat dient op zodanige wijze te geschieden, dat het onmogelijk is precies te voorspellen wanneer het fabriekscomplex zal worden geïnspecteerd.

17.

Tijdens de eerste inspectie dient een ontwerp-inrichtingsakkoord te worden opgesteld, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat overeenkomen dat dit niet nodig is.

18.

Met het oog op de frequentie en de intensiteit van de vervolginspecties dienen de inspecteurs gedurende de eerste inspectie te beoordelen in hoeverre de desbetreffende stoffen, de kenmerken van het fabriekscomplex en de aard van de aldaar verrichte activiteiten een risico vormen voor voorwerp en doel van dit Verdrag, rekening houdend met, onder meer, de volgende criteria:

  • a.de toxiciteit van de in de lijsten opgenomen stoffen en de eventuele daarmee geproduceerde eindprodukten;

  • b.de hoeveelheid van de in de lijsten opgenomen stoffen die doorgaans op de geïnspecteerde plaats zijn opgeslagen;

  • c.de hoeveelheid voorlopers van de in de lijsten opgenomen stoffen die doorgaans op de geïnspecteerde plaats zijn opgeslagen;

  • d.de produktiecapaciteit van fabrieken van Lijst 2; en

  • e.de geschiktheid en de converteerbaarheid van de geïnspecteerde plaats, ten einde aldaar te kunnen overgaan tot produktie, opslag en laden van giftige stoffen.

Inspecties

19.

Na het ondergaan van de eerste inspectie dient elk overeenkomstig paragraaf 12 te inspecteren fabriekscomplex te worden onderworpen aan vervolginspecties.

20.

Wanneer het Technisch Secretariaat bepaalde fabriekscomplexen kiest voor inspectie en besluit over de frequentie en intensiteit van de inspecties, dient het aandacht te schenken aan het risico dat de desbetreffende stof, de kenmerken van het fabriekscomplex en de aard van de aldaar verrichte activiteiten vormen voor voorwerp en doel van het Verdrag, rekening houdend met het desbetreffende inrichtingsakkoord en de resultaten van de eerste inspectie en de vervolginspecties.

21.

Het Technisch Secretariaat dient een bepaald te inspecteren fabriekscomplex zodanig te kiezen, dat het onmogelijk is precies te voorspellen wanneer het zal worden geïnspecteerd.

22.

Een fabriekscomplex mag niet meer dan twee inspecties per kalenderjaar ondergaan ingevolge de bepalingen van deze Titel. Dit vormt evenwel geen beletsel voor inspecties ingevolge artikel IX.

Inspectieprocedures

23.

Naast overeengekomen richtlijnen, andere relevante bepalingen van deze Bijlage en de Vertrouwelijkheidsbijlage, zijn de paragrafen 24 tot en met 30 hieronder van toepassing.

24.

Uiterlijk 90 dagen na afloop van de eerste inspectie dient een inrichtingsakkoord voor het opgegeven fabriekscomplex te worden gesloten tussen de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Organisatie, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat overeenkomen dat dit niet nodig is. Het moet zijn gebaseerd op een modelakkoord en dient het houden van inspecties op het opgegeven fabrieksterrein te regelen. In het akkoord dienen de frequentie en de intensiteit van de inspecties te worden vermeld, alsook gedetailleerde inspectieprocedures in overeenstemming met de paragrafen 25 tot en met 29.

25.

De inspecties dienen zich te richten op de opgegeven fabrieken) van Lijst 2 binnen het opgegeven fabriekscomplex. Indien het inspectieteam verzoekt om toegang tot andere delen van het fabrieksterrein, dient toegang tot deze ruimten te worden verleend in overeenstemming met de verplichting om opheldering te geven overeenkomstig Afdeling II, paragraaf 51, van deze Bijlage en in overeenstemming met het inrichtingsakkoord, of bij gebreke van een inrichtingsakkoord, in overeenstemming met de regels inzake gereguleerde toegang als bedoeld in Afdeling X, Titel C, van deze Bijlage.

26.

Er dient inzage in de boeken te worden verleend, indien van toepassing, ten einde de zekerheid te bieden dat de opgegeven stof geen andere bestemming heeft gekregen en dat de produktie in overeenstemming met de opgaven heeft plaatsgevonden.

27.

Er dient te worden overgegaan tot monsterneming en analysering om te kunnen bevestigen dat er geen in de lijsten opgenomen stoffen aanwezig zijn die niet zijn opgegeven.

28.

Ruimten die kunnen worden geïnspecteerd zijn onder andere:

  • a.ruimten waar uitgangsstoffen (reagentia) worden afgeleverd of opgeslagen;

  • b.ruimten waar reagentia worden gemanipuleerd alvorens deze aan de reactievaten toe te voegen;

  • c.aanvoerleidingen, indien van toepassing, van de in de letter a of b genoemde ruimten naar de reactievaten, te zamen met de bijbehorende afsluiters, stromingsmeters, enz.;

  • d.de buitenkant van de reactievaten en de bijbehorende uitrusting;

  • e.de leidingen van de reactievaten naar ruimten voor opslag voor lange of korte termijn of naar de apparatuur voor verdere be-/verwerking van de opgegeven stoffen van Lijst 2;

  • f.besturingsapparatuur die verband houdt met de in de letters a tot en met e genoemde voorwerpen;

  • g.apparatuur en ruimten voor de behandeling van afval en afvalwater;

  • h.apparatuur en ruimten voor het afvoeren van stoffen die niet aan de specificatie voldoen.

29.

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 96 uur; tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kunnen evenwel verlengingen worden overeengekomen.

Kennisgeving van de inspectie

30.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ten minste 48 uur vóór de aankomst van het inspectieteam op het te inspecteren fabriekscomplex door het Technisch Secretariaat van de inspectie in kennis te worden gesteld.

C. OVERDRACHTEN AAN STATEN DIE GEEN PARTIJ ZIJN BIJ DIT VERDRAG

31.

Stoffen van Lijst 2 mogen alleen worden overdragen aan of ontvangen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Deze verplichting gaat drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag in.

32.

Gedurende dit overgangstijdvak van drie jaar dient elke Staat die Partij is bij dit Verdrag de hieronder omschreven eindgebruikersverklaring te verlangen voor overdrachten van stoffen van Lijst 2 aan Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag. Voor die overdrachten dient elke Staat die Partij is bij dit Verdrag de nodige maatregelen te nemen om te verzekeren dat de overgedragen stoffen uitsluitend worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient van de ontvangende Staat onder meer een certificaat te verlangen waarin met betrekking tot de overgedragen stoffen wordt vermeld:

  • a.dat zij uitsluitend zullen worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden;

  • b.dat zij niet nogmaals zullen worden overgedragen;

  • c.de typen en hoeveelheden ervan;

  • d.het eindgebruik ervan; en

  • e.de naam en het adres van de eindgebruiker(s).

AFDELING VIII. Ingevolge dit Verdrag niet verboden activiteiten in overeenstemming met artikel VI

Regime voor stoffen van Lijst 3 en met die stoffen verband houdende inrichtingen

A. OPGAVEN

Opgaven van totale nationale gegevens

1.

De door elke Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge artikel VI, zevende en achtste lid, te verstrekken eerste opgave en jaaropgaven dienen de totale nationale gegevens over het voorgaande kalenderjaar te omvatten betreffende de geproduceerde, ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheden van elke stof van Lijst 3, met vermelding van de in- en uitgevoerde hoeveelheden voor elk betrokken land.

2.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te verstrekken:

  • a.de eerste opgave ingevolge paragraaf 1 uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden; en, met ingang van het volgende kalenderjaar,

  • b.jaaropgaven uiterlijk 90 dagen na het einde van het voorgaande kalenderjaar.

Opgaven van fabriekscomplexen die stoffen van Lijst 3 produceren

3.

Een eerste opgave en jaaropgaven zijn vereist voor alle fabriekscomplexen die een of meer fabrieken omvatten die in het voorgaande kalenderjaar meer dan 30 ton van een stof van Lijst 3 hebben geproduceerd, dan wel in het komende kalenderjaar naar verwachting meer dan 30 ton van een stof van Lijst 3 zullen produceren.

4.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient te verstrekken:

  • a.de eerste opgave ingevolge paragraaf 3 uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden ; en, met ingang van het volgende kalenderjaar,

  • b.jaaropgaven betreffende activiteiten in het verleden uiterlijk 90 dagen na het einde van het voorgaande kalenderjaar;

  • c.jaaropgaven betreffende verwachte activiteiten uiterlijk 60 dagen voor het begin van het volgende kalenderjaar. Elke activiteit die extra wordt gepland na het verstrekken van de jaaropgave dient uiterlijk vijf dagen voordat die activiteit begint te worden opgegeven.

5.

Opgaven ingevolge paragraaf 3 zijn in het algemeen niet vereist voor mengsels met een laag gehalte van een stof van Lijst 3. Zij zijn slechts vereist, in overeenstemming met de richtlijnen, ingeval het gemak waarmee de stof van Lijst 3 uit het mengsel kan worden teruggewonnen alsmede de totale hoeveelheid daarvan worden geacht een risico te vormen voor doel en voorwerp van dit Verdrag. Deze richtlijnen zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter i.

6.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen te omvatten:

  • a.de naam van het fabriekscomplex en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging en het adres; en

  • c.het aantal fabrieken binnen het fabriekscomplex die zijn opgegeven ingevolge Afdeling VII van deze Bijlage.

7.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen voor elke binnen het fabriekscomplex gelegen fabriek die onder paragraaf 3 valt, de volgende informatie te omvatten:

  • a.de naam van de fabriek en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging binnen het fabriekscomplex onder vermelding van het eventuele nummer van het gebouw of bouwwerk;

  • c.de voornaamste activiteiten ervan.

8.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 3 dienen tevens de volgende informatie te omvatten betreffende elke stof van Lijst 3 boven de drempelwaarde:

  • a.de chemische benaming, de door de inrichting gehanteerde gangbare naam of handelsnaam, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

  • b.de hoeveelheid, bij benadering, van de produktie van de chemische stof in het voorgaande kalenderjaar, of, in geval van opgaven van verwachte activiteiten, de verwachte produktie voor het volgende kalenderjaar, uitgedrukt in de volgende waarden: 30 tot 200 ton, 200 tot 1000 ton, 1000 tot 10.000 ton, 10.000 tot 100.000 ton en 100.000 ton of meer; en

  • c.de doeleinden waarvoor de stof werd of zal worden geproduceerd.

Opgaven betreffende de produktie van stoffen van Lijst 3 in het verleden ten behoeve van chemische wapens

9.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden alle fabriekscomplexen op te geven die fabrieken omvatten die op enig tijdstip sinds 1 januari 1946 een stof van Lijst 3 produceerden ten behoeve van chemische wapens.

10.

Opgaven van een fabriekscomplex ingevolge paragraaf 9 dienen te omvatten:

  • a.de naam van het fabriekscomplex en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging en het adres;

  • c.voor elke binnen het fabriekscomplex gelegen fabriek die onder paragraaf 9 valt, dezelfde informatie als bedoeld in paragraaf 7, letters a tot en met c; en

  • d.voor elke ten behoeve van chemische wapens geproduceerde stof van Lijst 3:

    • i.de chemische benaming, de door het fabriekscomplex gehanteerde gangbare naam of handelsnaam ten behoeve van de produktie van chemische wapens, de structuurformule en het registratienummer van de Chemical Abstracts Service, indien toegekend;

    • ii.de data waarop de stof werd geproduceerd en de geproduceerde hoeveelheid; en

    • iii.de plaats waar de stof is afgeleverd en het aldaar geproduceerde eindprodukt, indien bekend.

Toezending informatie aan Staten die Partij zijn bij dit Verdrag

11.

Een lijst van ingevolge deze Titel opgegeven fabriekscomplexen, te zamen met de ingevolge de paragrafen 6, 7, letters a en c, 8, letter a, en 10 verstrekte informatie, wordt op verzoek door het Technisch Secretariaat aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag toegezonden.

B. VERIFICATIE

Algemeen

12.

De in artikel VI, vijfde lid, bedoelde verificatie dient te geschieden door middel van inspectie ter plaatse op de opgegeven fabriekscomplexen die gedurende het voorgaande kalenderjaar in totaal meer dan 200 ton van een stof van Lijst 3 boven de drempelwaarde van 30 ton hebben geproduceerd, dan wel in het komende kalenderjaar naar verwachting zullen produceren.

13.

Het programma en de begroting van de Organisatie die moeten worden goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter a, dienen een afzonderlijk programma en een afzonderlijke begroting te omvatten voor de verificatie ingevolge deze Titel, rekening houdend met Afdeling VII, paragraaf 13, van deze Bijlage.

14.

De keuze van de fabriekscomplexen door het Technisch Secretariaat voor inspectie ingevolge deze Titel dient op willekeurige basis te geschieden met gebruikmaking van passende methoden, zoals de toepassing van speciale computerprogrammatuur, waarbij het zich laat leiden door de volgende factoren:

  • a.een eerlijke geografische spreiding van de inspecties; en

  • b.de informatie betreffende de opgegeven fabriekscomplexen waarover het Technisch Secretariaat beschikt met betrekking tot de desbetreffende stof, de kenmerken van het fabriekscomplex en de aard van de aldaar verrichte activiteiten.

15.

Een fabriekscomplex mag niet meer dan twee inspecties per kalenderjaar ondergaan ingevolge de bepalingen van deze Titel. Dit vormt evenwel geen beletsel voor inspecties ingevolge artikel IX.

16.

Bij de keuze van de fabriekscomplexen voor inspectie ingevolge deze Titel dient het Technisch Secretariaat de volgende beperking in acht te nemen voor het gecombineerde aantal inspecties dat een Staat die Partij is bij dit Verdrag per kalenderjaar moet ondergaan ingevolge deze Afdeling en Afdeling IX van deze Bijlage: het gecombineerde aantal inspecties mag niet groter zijn dan drie plus 5 procent van het totale aantal fabriekscomplexen dat door een Staat die Partij is bij dit Verdrag is opgegeven ingevolge deze Afdeling en Afdeling IX van deze Bijlage, dan wel 20 inspecties, naar gelang van welk aantal het kleinst is.

Doel van de inspecties

17.

De inspecties op ingevolge Titel A opgegeven fabriekscomplexen hebben in het algemeen tot doel te verifiëren dat de activiteiten in overeenstemming zijn met de in de opgaven te verstrekken informatie. De inspecties hebben in het bijzonder tot doel te verifiëren dat er geen stof van Lijst 1 aanwezig is en dat er met name geen produktie van die stoffen plaatsvindt, tenzij in overeenstemming met Afdeling VI van deze Bijlage.

Inspectieprocedures

18.

Naast overeengekomen richtlijnen, andere relevante bepalingen van deze Bijlage en de Vertrouwelijkheidsbijlage, zijn de paragrafen 19 tot en met 25 hieronder van toepassing.

19.

Er is geen inrichtingsakkoord vereist, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dit verlangt.

20.

De inspecties dienen zich te richten op de opgegeven fabriek(en) van Lijst 3 binnen het opgegeven fabriekscomplex. Indien het inspectieteam in overeenstemming met Afdeling II, paragraaf 51, van deze Bijlage verzoekt om toegang tot andere delen van het fabrieksterrein ter opheldering van onduidelijkheden, dient de omvang van die toegang tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden overeengekomen.

21.

Het inspectieteam dient inzage te krijgen in boeken ingeval het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomen dat zulks bijdraagt tot verwezenlijking van de doelstellingen van de inspectie.

22.

Er kan worden overgegaan tot monsterneming en analysering ter plaatse om te kunnen bevestigen dat er geen in de lijsten opgenomen stoffen aanwezig zijn die niet zijn opgegeven. In geval van onopgeloste onduidelijkheden kunnen de monsters worden geanalyseerd op een hiertoe aangewezen laboratorium elders, mits de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt.

23.

Ruimten die kunnen worden geïnspecteerd zijn onder andere:

  • a.ruimten waar voorlopers (reagentia) worden afgeleverd of opgeslagen;

  • b.ruimten waar reagentia worden gemanipuleerd alvorens deze aan de reactievaten toe te voegen;

  • c.aanvoerleidingen, indien van toepassing, van de in de letter a of b genoemde ruimten naar de reactievaten, te zamen met de bijbehorende afsluiters, stromingsmeters, enz.;

  • d.de buitenkant van de reactievaten en de bijbehorende uitrusting;

  • e.de leidingen van de reactievaten naar ruimten voor opslag voor lange of korte termijn of naar de apparatuur voor verdere be-/verwerking van de opgegeven stoffen van Lijst 3;

  • f.besturingsapparatuur die verband houdt met de in de letters a tot en met e genoemde voorwerpen;

  • g.apparatuur en ruimten voor de behandeling van afval en afvalwater;

  • h.apparatuur en ruimten voor het afvoeren van stoffen die niet aan de specificatie voldoen.

24.

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 24 uur; tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kunnen evenwel verlengingen worden overeengekomen.

Kennisgeving van de inspectie

25.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ten minste 120 uur vóór de aankomst van het inspectieteam op het te inspecteren fabriekscomplex door het Technisch Secretariaat van de inspectie in kennis te worden gesteld.

C. OVERDRACHTEN AAN STATEN DIE GEEN PARTIJ ZIJN BIJ DIT VERDRAG

26.

Wanneer stoffen van Lijst 3 worden overgedragen aan Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag, dient elke Staat die Partij is bij dit Verdrag de noodzakelijke maatregelen te nemen om te verzekeren dat de overgedragen stoffen uitsluitend worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient van de ontvangende Staat onder meer een certificaat te verlangen waarin met betrekking tot de overgedragen stoffen wordt vermeld:

  • a.dat zij uitsluitend zullen worden gebruikt voor ingevolge dit Verdrag niet verboden doeleinden;

  • b.dat zij niet nogmaals zullen worden overgedragen;

  • c.de typen en hoeveelheden ervan;

  • d.het eindgebruik ervan; en

  • e.de naam en het adres van de eindgebruiker(s).

27.

Vijfjaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag zal de Conferentie nagaan of het noodzakelijk andere maatregelen vast te stellen met betrekking tot overdrachten van stoffen van Lijst 3 aan Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag.

AFDELING IX. Ingevolge dit Verdrag niet verboden activiteiten in overeenstemming met artikel VI

Regime voor andere inrichtingen voor de produktie van stoffen

A. OPGAVEN

Lijst van andere inrichtingen voor de produktie van stoffen

1.

De door elke Staat die Partij is bij dit Verdrag ingevolge artikel VI, zevende lid, te verstrekken eerste opgave dient een lijst te omvatten van alle fabriekscomplexen die:

  • a.in het voorgaande kalenderjaar door middel van synthese meer dan 200 ton niet in de lijsten opgenomen onderscheiden organische stoffen hebben geproduceerd; of

  • b.één of meer fabrieken omvatten die in het voorgaande kalenderjaar door middel van synthese meer dan 30 ton van een niet in de lijsten opgenomen onderscheiden organische stof hebben geproduceerd die de elementen fosfor, zwavel of fluor bevat (hierna te noemen „PSF-fabrieken” en „PSF-stof”).

2.

De ingevolge paragraaf 1 in te dienen lijst van andere inrichtingen voor de produktie van stoffen dient geen fabriekscomplexen te omvatten die uitsluitend explosieven of koolwaterstoffen produceerden.

3.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient zijn ingevolge paragraaf 1 in te dienen lijst van andere inrichtingen voor de produktie van stoffen te verstrekken als onderdeel van zijn eerste opgaven, zulks uiterlijk 30 dagen nadat dit Verdrag voor die Staat in werking is getreden. Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient jaarlijks uiterlijk 90 dagen na het begin van elk volgende jaar de informatie te verstrekken die nodig is om de lijst bij te werken.

4.

De ingevolge paragraaf 1 in te dienen lijst van andere inrichtingen voor de produktie van stoffen dient de volgende informatie betreffende elk fabriekscomplex te omvatten:

  • a.de naam van het fabriekscomplex en de naam van de eigenaar, vennootschap of onderneming die het in bedrijf houdt;

  • b.de exacte ligging van het fabriekscomplex en het adres;

  • c.de voornaamste activiteiten ervan; en

  • d.het aantal, bij benadering, van de fabrieken binnen het fabriekscomplex die de in paragraaf 1 genoemde stoffen produceren.

5.

Met betrekking tot de ingevolge paragraaf 1, letter a, op te geven fabriekscomplexen dient de lijst tevens informatie te omvatten over de totale hoeveelheid, bij benadering, van de produkie van niet opgegeven onderscheiden organische stoffen in het voorgaande kalenderjaar, uitgedrukt in de volgende waarden: tot 1000 ton, 1000 tot 10.000 ton en 10.000 ton of meer.

6.

Met betrekking tot de ingevolge paragraaf 1, letter b, op te geven fabriekscomplexen dient de lijst tevens het aantal PSF-fabrieken binnen het fabriekscomplex aan te geven en informatie te omvatten over de hoeveelheid, bij benadering, van de PSF-stoffen die in het voorgaande kalenderjaar door elke PSF-fabriek zijn geproduceerd, uitgedrukt in de volgende waarden: tot 200 ton, 200 tot 1000 ton, 1000 tot 10.000 ton en 10.000 ton of meer.

Bijstand van het Technisch Secretariaat

7.

Indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag het om administratieve redenen noodzakelijk acht bijstand te vragen bij de samenstelling van zijn lijst van inrichtingen voor de produktie van stoffen ingevolge paragraaf 1, kan hij het Technisch Secretariaat verzoeken deze bijstand te verlenen. Vragen aangaande de volledigheid van de lijst dienen dan te worden opgelost door middel van overleg tussen de Staat die Partij is bij dit Verdrag en het Technisch Secretariaat.

Toezending informatie aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag

8.

De ingevolge paragraaf 1 ingediende lijsten van inrichtingen voor de produktie van stoffen, te zamen met de ingevolge paragraaf 4 verstrekte informatie, worden op verzoek door het Technisch Secretariaat aan de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag toegezonden.

B. VERIFICATIE

Algemeen

9.

Behoudens de bepalingen van Titel C, dient de in artikel VI, zesde lid, bedoelde verificatie te geschieden door middel van inspectie ter plaatse in:

  • a.de overeenkomstig paragraaf 1, letter a, opgegeven fabriekscomplexen; en

  • b.de overeenkomstig paragraaf 1, letter b, opgegeven fabriekscomplexen die één of meer PSF-fabrieken omvatten die in het voorgaande kalenderjaar meer dan 200 ton van een PSF-stof produceerden.

10.

Het programma en de begroting van de Organisatie die moeten worden goedgekeurd door de Conferentie overeenkomstig artikel VIII, lid 21, letter a, dienen een afzonderlijk programma en een afzonderlijke begroting te omvatten voor de verificatie ingevolge deze Titel nadat een aanvang is gemaakt met de uitvoering hiervan.

11.

De keuze van de fabriekscomplexen door het Technisch Secretariaat voor inspectie ingevolge deze Titel dient op willekeurige basis te geschieden met gebruikmaking van passende methoden, zoals de toepassing van speciale computerprogrammatuur, waarbij het zich laat leiden door de volgende factoren:

  • a.een eerlijke geografische spreiding van de inspecties; en

  • b.de informatie betreffende de opgegeven fabriekscomplexen waarover het Technisch Secretariaat beschikt met betrekking tot de kenmerken van het fabriekscomplex en de aard van de aldaar verrichte activiteiten; en

  • c.voorstellen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag op een in overeenstemming met paragraaf 25 overeen te komen grondslag.

12.

Een fabriekscomplex mag niet meer dan twee inspecties per jaar ondergaan ingevolge de bepalingen van deze Titel. Dit vormt evenwel geen beletsel voor inspecties ingevolge artikel IX.

13.

Bij de keuze van de fabriekscomplexen voor inspectie ingevolge deze Titel dient het Technisch Secretariaat de volgende beperking in acht te nemen voor het gecombineerde aantal inspecties dat een Staat die Partij is bij dit Verdrag per kalenderjaar moet ondergaan ingevolge deze Afdeling en Afdeling VIII van deze Bijlage: het gecombineerde aantal inspecties mag niet groter zijn dan drie plus 5 procent van het totale aantal fabriekscomplexen dat door een Staat die Partij is bij dit Verdrag is opgegeven ingevolge deze Afdeling en Afdeling VIII van deze Bijlage, dan wel 20 inspecties, naar gelang van welk aantal het kleinst is.

Doel van de inspecties

14.

De inspecties op ingevolge Titel A opgegeven fabriekscomplexen hebben in het algemeen tot doel te verifiëren dat de activiteiten in overeenstemming zijn met de in de opgaven te verstrekken informatie. De inspecties hebben in het bijzonder tot doel te verifiëren dat er geen chemische stof van Lijst 1 aanwezig is en dat er met name geen produktie van die stoffen plaatsvindt, tenzij in overeenstemming met Afdeling VI van deze Bijlage.

Inspectieprocedures

15.

Naast overeengekomen richtlijnen, andere relevante bepalingen van deze Bijlage en de Vertrouwelijkheidsbijlage, zijn de paragrafen 16 tot en met 20 hieronder van toepassing.

16.

Er is geen inrichtingsakkoord vereist, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dit verlangt.

17.

De inspectie in een voor inspectie gekozen fabriekscomplex dient zich te richten op de fabriek(en) die de in paragraaf 1 genoemde stoffen produceert (produceren), in het bijzonder de ingevolge paragraaf 1, letter b, opgegeven PSF-fabrieken. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht de toegang tot deze fabrieken te reguleren in overeenstemming met de regels inzake gereguleerde toegang als genoemd in Afdeling X, Titel C, van deze Bijlage. Indien het inspectieteam in overeenstemming met Afdeling II, paragraaf 51, van deze Bijlage verzoekt om toegang tot andere delen van het fabriekscomplex ter opheldering van onduidelijkheden, dient de omvang van die toegang tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te worden overeengekomen.

18.

Het inspectieteam dient inzage te krijgen in boeken ingeval het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomen dat zulks bijdraagt tot verwezenlijking van de doelstellingen van de inspectie.

19.

Er kan worden overgegaan tot monsterneming en analysering ter plaatse om te kunnen bevestigen dat er geen in de lijsten opgenomen stoffen aanwezig zijn die niet zijn opgegeven. In geval van onopgeloste onduidelijkheden kunnen de monsters worden geanalyseerd op een hiertoe aangewezen laboratorium elders, mits de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt.

20.

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 24 uur; tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kunnen evenwel verlengingen worden overeengekomen.

Kennisgeving van de inspectie

21.

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ten minste 120 uur vóór de aankomst van het inspectieteam op het te inspecteren fabriekscomplex door het Technisch Secretariaat van de inspectie in kennis te worden gesteld.

C. UITVOERING EN TOETSING VAN TITEL B

Uitvoering

22.

De uitvoering van Titel B dient aan het begin van het vierde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag aan te vangen, tenzij de Conferentie op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag anders besluit.

23.

De Directeur-Generaal stelt voor de gewone vergadering van de Conferentie in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag een rapport op waarin hij verslag doet van de ervaring die het Technisch Secretariaat heeft opgedaan bij de uitvoering van de bepalingen van de Afdelingen VII en VIII van deze Bijlage alsook van Titel A van deze Afdeling.

24.

Op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan de Conferentie op basis van het rapport van de Directeur-Generaal ook besluiten over de verdeling van de voor verificatie ingevolge Titel B beschikbare middelen tussen PSF-fabrieken en andere inrichtingen voor de produktie van stoffen. Anders wordt deze verdeling overgelaten aan het Technisch Secretariaat en toegevoegd aan de in paragraaf 11 bedoelde factoren.

25.

Op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag besluit de Conferentie, op grond van een advies van de Uitvoerende Raad, op welke basis (bijvoorbeeld regionaal) voorstellen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag moeten worden ingediend om mede in aanmerking te kunnen worden genomen bij de in paragraaf 11 bedoelde keuze.

Toetsing

26.

Op de eerste bijzondere vergadering van de Conferentie, bijeengeroepen overeenkomstig artikel VIII, lid 22, worden de bepalingen van deze Afdeling van de Verificatiebijlage opnieuw bestudeerd in het licht van een allesomvattende toetsing van het gehele verificatieregime voor de chemische industrie (artikel VI, Afdelingen VII tot en met IX van deze Bijlage) op basis van de opgedane ervaring. De Conferentie doet dan aanbevelingen ten einde de doelmatigheid van het verificatieregime te verbeteren.

AFDELING X. Uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX

A. DE AANWIJZING EN KEUZE VAN INSPECTEURS EN INSPECTIE-ASSISTENTEN

1.

Uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX mogen slechts worden verricht door speciaal daartoe aangewezen inspecteurs en inspectieassistenten. Ten einde inspecteurs en inspectie-assistenten voor uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX te kunnen aanwijzen, stelt de Directeur-Generaal een lijst van voorgedragen inspecteurs en inspectie-assistenten op, door dezen te kiezen uit inspecteurs en inspectieassistenten ten behoeve van routine-inspecties. Deze lijst dient een voldoende aantal inspecteurs en inspectie-assistenten te omvatten die beschikken over de nodige kwalificaties, ervaring, vaardigheid en opleiding, opdat een flexibele keuze van de inspecteurs mogelijk is, rekening houdend met hun beschikbaarheid en de nodige roulering. Tevens dient rekening te worden gehouden met het belang van een selectie van de inspecteurs en inspectie-assistenten op een zo breed mogelijke geografische basis. De aanwijzing van de inspecteurs en inspectie-assistenten dient te geschieden volgens de in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage omschreven procedures.

2.

De Directeur-Generaal bepaalt de grootte van het inspectieteam en kiest de leden ervan, rekening houdend met de omstandigheden van een bepaald verzoek. De grootte van het inspectieteam dient beperkt te blijven tot het minimum dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het inspectiemandaat. Een onderdaan van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag of van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag mag geen lid van het inspectieteam zijn.

B. AAN DE INSPECTIE VOORAFGAANDE ACTIVITEITEN

3.

Alvorens het verzoek om een uitdagingsinspectie in te dienen kan de Staat die Partij is bij dit Verdrag de Directeur-Generaal verzoeken te doen bevestigen dat het Technisch Secretariaat in staat is onmiddellijk actie te ondernemen naar aanleiding van het verzoek. Indien de Directeur-Generaal deze bevestiging niet onmiddellijk kan geven, dient hij zulks zo spoedig mogelijk alsnog te doen, daarbij de volgorde van de verzoeken om bevestiging in acht nemend. Hij dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag tevens in te lichten over het tijdstip waarop onmiddellijk actie zou kunnen worden ondernomen. Mocht de Directeur-Generaal tot de slotsom komen dat tijdig optreden naar aanleiding van verzoeken niet langer mogelijk is, dan kan hij de Uitvoerende Raad verzoeken passende maatregelen te treffen om een en ander in de toekomst beter te doen verlopen.

Kennisgeving

4.

Het tot de Uitvoerende Raad en de Directeur-Generaal te richten verzoek om een uitdagingsinspectie dient ten minste de volgende informatie te bevatten:

  • a.de te inspecteren Staat die Partij is bij dit Verdrag en, indien van toepassing, de Gaststaat;

  • b.het te gebruiken punt van binnenkomst;

  • c.de omvang en de aard van de inspectieplaats;

  • d.de bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag onder vermelding van de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag waarover bezorgdheid is ontstaan, en de aard en de omstandigheden van de mogelijke niet-naleving, alsmede alle daarvoor in aanmerking komende informatie op grond waarvan de bezorgdheid is ontstaan; en

  • e.de naam van de waarnemer van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag.

De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag kan alle bijkomende informatie verstrekken die hij noodzakelijk acht.

5.

De Directeur-Generaal geeft de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen een uur een bevestiging van de ontvangst van het verzoek.

6.

De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de Directeur-Generaal tijdig in kennis te stellen van de ligging van de inspectieplaats, ten einde de Directeur-Generaal in staat te stellen deze informatie ten minste 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst mede te delen aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

7.

De inspectieplaats dient door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid aan de hand van een plattegrond, onder vermelding van een referentiepunt met geografische coördinaten, zo mogelijk tot op de seconde nauwkeurig. Indien mogelijk dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag ook een landkaart te verstrekken waarop de inspectieplaats globaal is aangeduid, alsook een tekening waarop zo precies mogelijk de verlangde omtrek van de te inspecteren plaats is aangegeven.

8.

De verlangde omtrek:

  • a.dient op een afstand van ten minste 10 meter van gebouwen of andere bouwwerken te lopen;

  • b.mag bestaande veiligheidsomheiningen niet snijden; en

  • c.dient ten minste 10 meter buiten bestaande veiligheidsomheiningen te lopen die de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen de verlangde omtrek wenst te doen vallen.

9.

Indien de verlangde omtrek niet aan de voorschriften van paragraaf 8 voldoet, dient deze opnieuw door het inspectieteam te worden vastgesteld in overeenstemming met die bepaling.

10.

De Directeur-Generaal stelt de Uitvoerende Raad ten minste 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis van de ligging van de inspectieplaats als bedoeld in paragraaf 7.

11.

Gelijktijdig met de kennisgeving aan de Uitvoerende Raad overeenkomstig paragraaf 10 zendt de Directeur-Generaal het verzoek om inspectie toe aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, onder vermelding van de ligging van de inspectieplaats als bedoeld in paragraaf 7. Deze kennisgeving omvat tevens de informatie genoemd in Afdeling II, paragraaf 32, van deze Bijlage.

12.

Na aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag door het inspectieteam in kennis te worden gesteld van het inspectiemandaat.

Binnenkomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat

13.

De Directeur-Generaal zendt zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een verzoek om inspectie een inspectieteam in overeenstemming met artikel IX, dertiende tot en met achttiende lid. Het inspectieteam dient binnen de kortst mogelijke tijd op het in het verzoek vermelde punt van binnenkomst aan te komen, in overeenstemming met de bepalingen van de paragrafen 10 en 11.

14.

Indien de verlangde omtrek aanvaardbaar is voor de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, dient deze zo spoedig mogelijk, doch in geen geval later dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, tot definitieve omtrek te worden verklaard. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam te vervoeren naar de definitieve omtrek van de inspectieplaats. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur vóór het verstrijken van de in deze paragraaf voor de aanwijzing van de definitieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

15.

Voor alle opgegeven inrichtingen gelden de in de letters a en b omschreven procedures. (Voor de toepassing van deze Afdeling wordt onder „opgegeven inrichting” verstaan alle inrichtingen die zijn opgegeven ingevolge de artikelen III, IV en V. Met betrekking tot artikel VI wordt onder „opgegeven inrichting” slechts verstaan inrichtingen die zijn opgegeven ingevolge Afdeling VI van deze Bijlage, alsmede opgegeven fabrieken als vermeld in opgaven ingevolge Afdeling VII, paragrafen 7 en 10, letter c, en Afdeling VIII, paragrafen 7 en 10, letter c, van deze Bijlage.)

  • a.Indien de verlangde omtrek binnen de opgegeven omtrek valt, of daarmee overeenkomt, wordt de opgegeven omtrek als de definitieve omtrek beschouwd. De definitieve omtrek kan echter, met instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, worden verkleind ten einde deze te doen overeenstemmen met de door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag verlangde omtrek.

  • b.De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam zo spoedig mogelijk, doch in elk geval uiterlijk 24 uur na aankomst op het punt van binnenkomst, te vervoeren naar de definitieve omtrek.

Alternatieve vaststelling van de definitieve omtrek

16.

Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de verlangde omtrek niet kan aanvaarden, stelt deze op het punt van binnenkomst zo spoedig mogelijk een alternatieve omtrek voor, doch in geen geval later dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst. In geval van verschillen van mening gaan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het inspectieteam onderhandelingen aan met het doel overeenstemming te bereiken omtrent een definitieve omtrek.

17.

De alternatieve omtrek dient zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid in overeenstemming met paragraaf 8. Daarin dient de gehele verlangde omtrek te zijn begrepen en er dient normaal gesproken een nauw verband te bestaan tussen eerstbedoelde en laatstbedoelde omtrek, natuurlijke kenmerken van het terrein en niet-natuurlijke grenzen in aanmerking genomen. De omtrek dient normaliter dicht bij de veiligheidsomheining te lopen, indien deze aanwezig is. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ernaar te streven bedoeld verband tussen de omtrekken vast te stellen aan de hand van een combinatie van ten minste twee van de volgende mogelijkheden:

  • a.een alternatieve omtrek die een gebied omgrenst dat niet wezenlijk groter is dan dat van de verlangde omtrek;

  • b.een alternatieve omtrek die op een korte, gelijke afstand van de verlangde omtrek loopt;

  • c.ten minste een gedeelte van de verlangde omtrek is zichtbaar vanaf de alternatieve omtrek.

18.

Indien de alternatieve omtrek aanvaardbaar is voor het inspectieteam, wordt deze de definitieve omtrek en wordt het inspectieteam van het punt van binnenkomst naar die omtrek vervoerd. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur na het verstrijken van de in paragraaf 16 voor het voorstellen van een alternatieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

19.

Indien geen definitieve omtrek wordt overeengekomen, dienen de onderhandelingen over de omtrek zo spoedig mogelijk te worden afgerond; zij mogen in geen geval langer duren dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam te vervoeren naar een plaats bij de alternatieve omtrek. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur vóór het verstrijken van de in paragraaf 16 voor het voorstellen van een alternatieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

20.

Zodra het inspectieteam op de desbetreffende plaats is aangekomen dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het team onmiddellijk toegang te verlenen tot de alternatieve omtrek, ten einde de onderhandelingen over en het bereiken van overeenstemming omtrent de definitieve omtrek, alsook de toegang tot het gebied binnen de definitieve omtrek, te vergemakkelijken.

21.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt binnen 72 uur na de aankomst van het inspectieteam op de desbetreffende plaats, wordt de alternatieve omtrek tot definitieve omtrek verklaard.

Verificatie van de plaats

22.

Ten einde te kunnen vaststellen dat de inspectieplaats waarnaar het inspectieteam is vervoerd, overeenstemt met de door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag genoemde inspectieplaats, heeft het inspectieteam het recht goedgekeurde plaatsbepalingsapparatuur te gebruiken en deze te doen opstellen overeenkomstig zijn aanwijzingen. Het inspectieteam mag de plaats waar het zich bevindt verifiëren aan de hand van plaatselijke herkenningstekenen die het afleidt van kaarten. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam hierbij te helpen.

Beveiliging van de inspectieplaats, controle van de uitgangen

23.

Uiterlijk 12 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te beginnen met het verzamelen van feitelijke gegevens betreffende al het uitgaande verkeer van alle middelen van vervoer te land, te water en in de lucht op alle punten waar dit verkeer de verlangde omtrek verlaat. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient deze gegevens aan het inspectieteam te verstrekken zodra dit aankomt bij de alternatieve of de definitieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt.

24.

Aan deze verplichting kan worden voldaan door feitelijke gegevens te verzamelen met behulp van logboeken, foto’s, video-opnamen of gegevens afkomstig van uitrusting die de aanwezigheid van stoffen aantoont, welke door het inspectieteam ter beschikking zijn gesteld om het uitgaande verkeer te bewaken. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kan daarentegen ook aan deze verplichting voldoen door één of meer leden van het inspectieteam toe te staan zelfstandig logboeken bij te houden, foto’s of video-opnamen te maken van het uitgaand verkeer, dan wel uitrusting te gebruiken die de aanwezigheid van stoffen aantoont, alsmede alle andere tussen de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het inspectieteam overeen te komen taken te verrichten.

25.

Na de aankomst van het inspectieteam bij de alternatieve of de definitieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt, dient de beveiliging van de inspectieplaats, d.w.z. de procedures ter controle van de uitgangen, te beginnen.

26.

Deze procedures bestaan onder andere in: het identificeren van de uitgaande voertuigen, het bijhouden van logboeken en het maken van foto’s en video-opnamen van de uitgangen en het uitgaande verkeer door het inspectieteam. Het inspectieteam heeft het recht om onder begeleiding naar elk ander gedeelte van de omtrek te gaan om zich ervan te vergewissen dat daar geen sprake is van ander uitgaand verkeer.

27.

Aanvullende procedures ter controle van de uitgangen, als overeengekomen door het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, kunnen onder andere omvatten:

  • a.het gebruik van sensoren;

  • b.willekeurig gekozen toegang;

  • c.het analyseren van monsters.

28.

Alle activiteiten ter beveiliging van de inspectieplaats en controle van de uitgangen dienen plaats te vinden in een buiten de omtrek gelegen strook met een breedte van ten hoogste 50 meter.

29.

Het inspectieteam heeft het recht de voertuigen die de inspectieplaats verlaten te inspecteren overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat een voertuig dat is onderworpen aan inspectie en waartoe het inspectieteam geen onbelemmerde toegang verkrijgt, niet wordt gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid over de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

30.

Binnenkomende personeelsleden en voertuigen en uitgaande personeelsleden en voertuigen voor personenvervoer zijn niet onderworpen aan inspectie.

31.

De toepassing van de hierboven beschreven procedures kan voortduren zolang de inspectie duurt, maar zij mag de normale werking van de inrichting niet onredelijk belemmeren of vertragen.

Briefing vóór de inspectie en inspectieplan

32.

Ter vergemakkelijking van het opstellen van een inspectieplan geeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam, voordat dit wordt toegelaten, een briefing inzake veiligheid en logistiek.

33.

De aan de inspectie voorafgaande briefing dient te worden gehouden in overeenstemming met Afdeling II, paragraaf 37, van deze Bijlage. In de loop van deze briefing vóór de inspectie kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam wijzen op de apparatuur, de documenten of ruimten die hij beschouwt als gevoelig en waarvan hij meent dat zij geen verband houden met het doel van de uitdagingsinspectie. Bovendien dient voor de inspectieplaats verantwoordelijk personeel het inspectieteam voor te lichten over de indeling en de andere relevante kenmerken van die plaats. Aan het inspectieteam dient een kaart of een op schaal vervaardigde tekening te worden verstrekt waarop alle bouwwerken en belangrijke geografische bijzonderheden zijn aangegeven. Het inspectieteam dient tevens te worden voorgelicht over de beschikbaarheid van personeel en dossiers in de inrichting.

34.

Na de aan de inspectie voorafgaande briefing stelt het inspectieteam op basis van de informatie waarover het beschikt en die het van toepassing acht, een eerste inspectieplan op, waarin de door het inspectieteam te verrichten activiteiten zijn aangegeven, onder vermelding van de afzonderlijke ruimten ter plaatse waartoe het team toegang wenst te verkrijgen. In het inspectieplan dient ook te worden vermeld of het inspectieteam zal worden onderverdeeld in subgroepen. Het inspectieplan dient ter beschikking te worden gesteld aan de vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de inspectieplaats. De uitvoering daarvan dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van Titel C, met inbegrip van de bepalingen inzake toegang en activiteiten.

Activiteiten bij de omtrek

35.

Na de aankomst van het inspectieteam bij de definitieve of alternatieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt, heeft het team het recht onmiddellijk te beginnen met de bij de omtrek te verrichten activiteiten in overeenstemming met de in deze Titel uiteengezette procedures, en deze activiteiten voort te zetten tot het einde van de uitdagingsinspectie.

36.

Bij de verrichting van de activiteiten bij de omtrek heeft het inspectieteam het recht:

  • a.controle-instrumenten te gebruiken in overeenstemming met Afdeling II, paragrafen 27 tot en met 30, van deze Bijlage;

  • b.monsters van stoflagen, lucht- en bodemmonsters en monsters van het afvalwater te nemen; en

  • c.alle bijkomende activiteiten te verrichten als overeengekomen tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

37.

De activiteiten van het inspectieteam bij de omtrek kunnen worden verricht binnen een strook van 50 meter breed buiten de omtrek. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt, kan het inspectieteam ook toegang verkrijgen tot alle gebouwen of bouwwerken binnen die strook. Alle controle-instrumenten dienen naar binnen te zijn gericht. Bij opgegeven inrichtingen kan de strook, naar goeddunken van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de binnenzijde, de buitenzijde of aan weerszijden van de opgegeven omtrek lopen.

C. HET HOUDEN VAN INSPECTIES

Algemene regels

38.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient toegang te verlenen binnen de verlangde omtrek alsook binnen de definitieve omtrek, indien deze daarvan afwijkt. Over de omvang en de aard van de toegang tot (een) bepaalde plaats(en) binnen deze omtrekken dient te worden onderhandeld tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang.

39.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient binnen de verlangde omtrek zo spoedig mogelijk toegang te verlenen, doch in elk geval niet later dan 108 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, ten einde opheldering te geven met betrekking tot de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

40.

Op verzoek van het inspectieteam kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag toegang tot de inspectieplaats verlenen vanuit de lucht.

41.

Ten einde te voldoen aan het voorschrift toegang te verlenen als bepaald in paragraaf 38 is de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht in de hoogst mogelijk mate toegang te verlenen, daarbij eventuele constitutionele verplichtingen met betrekking tot eigendomsrechten of huiszoekingen en inbeslagnemingen in aanmerking nemend. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang, de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Op de bepalingen van deze paragraaf mag door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag geen beroep worden gedaan om zich te onttrekken aan zijn verplichtingen zich te onthouden van ingevolge dit Verdrag verboden activiteiten.

42.

Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag geen onbelemmerde toegang verleent tot plaatsen, activiteiten of informatie, is hij verplicht alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om andere mogelijkheden te bieden om opheldering te verkrijgen met betrekking tot de bezorgdheid omtrent de niet-naleving van het Verdrag die de aanleiding vormde tot de uitdagingsinspectie.

43.

Na aankomst bij de definitieve omtrek van ingevolge de artikelen IV, V en VI opgegeven inrichtingen dient in aansluiting op de aan de inspectie voorafgaande briefing en de bespreking van het inspectieplan, welke tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven en in elk geval niet langer dan drie uur mogen duren, toegang te worden verleend.

44.

Bij de uitvoering van de uitdagingsinspectie in overeenstemming met het verzoek om inspectie mag het inspectieteam slechts methoden gebruiken die noodzakelijk zijn om voldoende relevante feiten aan te dragen om opheldering te verkrijgen over de bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag, en dient het zich te onthouden van niet-relevante activiteiten. Het inspectieteam mag feiten en bewijsstukken verzamelen die verband houden met de mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, maar het mag geen informatie en bewijsstukken zoeken die daarmee duidelijk geen verband houden, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het team uitdrukkelijk verzoekt zulks wel te doen. Verzameld materiaal dat vervolgens niet relevant wordt geacht, mag niet worden behouden.

45.

Het inspectieteam dient zich te laten leiden door het principe dat de uitdagingsinspectie dient te worden uitgevoerd op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze die verenigbaar is met een doeltreffende en tijdige vervulling van zijn opdracht. Waar mogelijk dient het team te beginnen met de aanvaardbaar geachte procedures die de minst mogelijke hinder veroorzaken, en slechts over te gaan tot meer ingrijpende procedures wanneer het zulks noodzakelijk acht.

Gereguleerde toegang

46.

Het inspectieteam dient voorgestelde wijzigingen van het inspectieplan en door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag gedane voorstellen in overweging te nemen, ongeacht in welk stadium van de inspectie en de daaraan voorafgaande briefing, met het oog op de bescherming van gevoelige apparatuur, informatie of ruimten die geen verband houden met chemische wapens.

47.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wijst de in- en uitgangen op de omtrek aan waarvan gebruik moet worden gemaakt in verband met de toegang. Het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dienen te onderhandelen over: de omvang van de toegang tot (een) bepaalde plaats(en) binnen de definitieve omtrek en de verlangde omtrek als bedoeld in paragraaf 48, de concrete door het inspectieteam te verrichten inspectie-activiteiten, met inbegrip van monsterneming, het verrichten van bepaalde activiteiten door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het verstrekken van bepaalde informatie door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

48.

In overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Vertrouwelijkheidsbijlage heeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht maatregelen te nemen ter bescherming van gevoelige installaties en ter voorkoming van onthulling van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen verband houden met chemische wapens. Deze maatregelen kunnen onder andere omvatten:

  • a.het verwijderen van gevoelige stukken uit de kantoorruimten;

  • b.het afdekken van gevoelige opgehangen/opgestelde voorwerpen, voorraden en apparatuur;

  • c.het afdekken van gevoelige delen van de uitrusting, zoals computersystemen of elektronische systemen;

  • d.het afmelden uit computersystemen of het uitschakelen van beeldweergavetoestellen;

  • e.het opleggen van beperkingen voor het analyseren van monsters ter vaststelling van de aanwezigheid van de in de Lijsten 1, 2 en 3 genoemde stoffen of de desbetreffende ontledingsprodukten;

  • f.willekeurig kiezen van toegang waarbij de inspecteurs wordt verzocht een bepaald aantal of percentage gebouwen te kiezen die zij zullen inspecteren; ditzelfde principe kan ook worden toegepast op het inwendige van gevoelige gebouwen;

  • g.in uitzonderlijke gevallen slechts enkele inspecteurs toegang verlenen tot bepaalde delen van de inspectieplaats.

49.

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat een object, gebouw, bouwwerk, houder of voertuig waartoe het inspectieteam geen onbelemmerde toegang heeft gehad, of dat is beschermd in overeenstemming met paragraaf 48, niet wordt gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

50.

Dit kan onder andere geschieden door middel van het gedeeltelijk verwijderen van een afdekking of beschermingskap, naar goeddunken van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, door middel van een visuele inspectie van het inwendige van een afgesloten ruimte vanaf de ingang, of op enige andere wijze.

51.

In geval van ingevolge de artikelen IV, V en VI opgegeven inrichtingen is het volgende van toepassing:

  • a.in inrichtingen waarvoor inrichtingsakkoorden bestaan, geldt dat de toegang en de activiteiten binnen de definitieve omtrek onbelemmerd zijn binnen de in de akkoorden vastgestelde grenzen;

  • b.in inrichtingen waarvoor geen inrichtingsakkoorden bestaan, dient over de toegang en de activiteiten te worden onderhandeld op grond van de desbetreffende ingevolge dit Verdrag vastgestelde algemene richtlijnen inzake inspectie;

  • c.toegang anders dan die welke is toegestaan voor inspecties ingevolge de artikelen IV, V en VI dient te worden gereguleerd in overeenstemming met de procedures van deze Titel.

52.

In geval van ingevolge artikel III, eerste lid, letter d, opgegeven inrichtingen is het volgende van toepassing: indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, met inachtneming van de procedures van de paragrafen 47 en 48, geen onbelemmerde toegang heeft verleend tot ruimten of bouwwerken die geen verband houden met chemische wapens, dient hij alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat die ruimten of bouwwerken niet worden gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid omtrent de niet-naleving van het Verdrag.

Waarnemer

53.

In overeenstemming met de bepalingen van artikel IX, twaalfde lid, inzake de deelneming van een waarnemer aan de uitdagingsinspectie dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zich in verbinding te stellen met het Technisch Secretariaat om de aankomst van de waarnemer zodanig te coördineren, dat deze aankomt op hetzelfde punt van binnenkomst als het inspectieteam, zulks binnen een redelijke termijn na de aankomst van het inspectieteam.

54.

De waarnemer heeft het recht gedurende de gehele inspectieperiode contact te onderhouden met de in de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat gevestigde ambassade van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, of ingeval daar geen ambassade is, met de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zelf. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de waarnemer communicatiemiddelen ter beschikking te stellen.

55.

De waarnemer heeft het recht zich naar de alternatieve of de definitieve omtrek van de inspectieplaats te begeven, waar het inspectieteam het eerst aankomt, en de door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verleende toegang tot de inspectieplaats te verkrijgen. De waarnemer heeft het recht aanbevelingen te doen aan het inspectieteam, die het inspectieteam in aanmerking dient te nemen voor zover het team dat passend acht. Gedurende de gehele inspectie dient het inspectieteam de waarnemer op de hoogte te houden van de uitvoering van de inspectie en van de bevindingen.

56.

Gedurende de gehele verblijfsperiode dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de waarnemer de nodige voorzieningen ter beschikking te stellen ofte doen stellen, zoals communicatiemiddelen, tolkdiensten, vervoer, werkruimte, onderdak, maaltijden en medische verzorging. Alle kosten in verband met het verblijf van de waarnemer op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat worden gedragen door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag.

Duur van de inspectie

57.

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 84 uur, tenzij deze met instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wordt verlengd.

D. ACTIVITEITEN NA DE INSPECTIE

Vertrek

58.

58. Na afloop van de na de inspectie op de inspectieplaats te verrichten procedures dienen het inspectieteam en de waarnemer van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zich zo spoedig mogelijk naar het punt van vertrek te begeven en het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen de kortst mogelijk tijd te verlaten.

Verslagen

59.

In het inspectieverslag dient een algemeen overzicht te worden gegeven van de door het inspectieteam verrichte activiteiten en de concrete bevindingen van het inspectieteam, in het bijzonder met betrekking tot de in het verzoek om de uitdagingsinspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag; het verslag dient zich te beperken tot informatie die rechtstreeks verband houdt met dit Verdrag. Het verslag dient tevens een beoordeling door het inspectieteam te omvatten van de mate en de aard van de aan de inspecteurs verleende toegang en medewerking, daarbij aangevend in hoeverre zulks hen in staat stelde het inspectiemandaat uit te voeren. Gedetailleerde informatie betreffende de in het verzoek om de uitdagingsinspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag dient als bijlage bij het eindverslag te worden ingediend en bij het Technisch Secretariaat te worden bewaard met passende waarborgen voor de bescherming van gevoelige informatie.

60.

Het inspectieteam dient uiterlijk 72 uur na zijn terugkeer op zijn standplaats een voorlopig inspectieverslag over te leggen aan de Directeur-Generaal, zulks met inachtneming van onder andere paragraaf 17 van de Vertrouwelijkheidsbijlage. De Directeur-Generaal doet het voorlopige inspectieverslag onverwijld toekomen aan de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Uitvoerende Raad.

61.

Uiterlijk 20 dagen na afloop van de uitdagingsinspectie dient aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag een concept van het eindverslag van de inspectie ter beschikking te worden gesteld. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht alle niet met chemische wapens verband houdende informatie en gegevens aan te geven die naar zijn mening, vanwege het vertrouwelijk karakter ervan, niet buiten het Technisch Secretariaat zouden mogen worden verspreid. Het Technisch Secretariaat neemt de door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde wijzigingen op het concept van het eindverslag van de inspectie in overweging en keurt deze, zo mogelijk, naar eigen goeddunken goed. Het eindverslag dient vervolgens uiterlijk 30 dagen na afloop van de uitdagingsinspectie te worden voorgelegd aan de Directeur-Generaal ter verspreiding en overweging in overeenstemming met artikel IX, leden 21 tot en met 25.

AFDELING XI. Onderzoeken in geval van vermeend gebruik van chemische wapens

A. ALGEMEEN

1.

Onderzoeken naar vermeend gebruik van chemische wapens of vermeend gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als wijze van oorlogvoering, ingesteld ingevolge artikel IX of X, dienen te worden verricht in overeenstemming met deze Bijlage en de gedetailleerde door de Directeur-Generaal vast te stellen procedures.

2.

De volgende aanvullende bepalingen hebben betrekking op speciale procedures die vereist zijn in geval van vermeend gebruik van chemische wapens.

B. ACTIVITEITEN VÓÓR DE INSPECTIE

Verzoek om een onderzoek

3.

Het verzoek om een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens, dat dient te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, dient, voor zover mogelijk, de volgende informatie te bevatten:

  • a.De Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied het gebruik van chemische wapens zou hebben plaatsgevonden;

  • b.het punt van binnenkomst of een voorstel voor andere veilige toegangswegen;

  • c.de ligging en kenmerken van de gebieden waar chemische wapens zouden zijn gebruikt;

  • d.wanneer de chemische wapens zouden zijn gebruikt;

  • e.de typen van de chemische wapens die vermoedelijk zijn gebruikt;

  • f.de mate van het vermeende gebruik;

  • g.de eigenschappen van de mogelijke giftige stoffen; h. de effecten voor mensen, dieren en planten;

  • i.verzoeken om specifieke bijstand, indien van toepassing.

4.

De Staat die Partij is bij dit Verdrag die om een onderzoek heeft verzocht, kan te allen tijde alle aanvullende informatie indienen die hij noodzakelijk acht.

Kennisgeving

5.

De Directeur-Generaal geeft de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk een bevestiging van de ontvangst van zijn verzoek en stelt de Uitvoerende Raad en alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van het verzoek in kennis.

6.

Indien van toepassing doet de Directeur-Generaal kennisgeving aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied om een onderzoek is verzocht. De Directeur-Generaal doet tevens kennisgeving aan andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag indien tijdens het onderzoek toegang tot hun grondgebied vereist is.

Aanwijzing van het inspectieteam

7.

De Directeur-Generaal stelt een lijst op van gekwalificeerde deskundigen wier bekwaamheid op een bepaald vakgebied nodig zou kunnen zijn bij een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens, en werkt deze lijst voortdurend bij. Deze lijst wordt uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag en na iedere verandering in de lijst schriftelijk bekendgemaakt aan elke Staat die Partij is bij dit Verdrag. Elke in deze lijst opgenomen gekwalificeerde deskundige wordt geacht te zijn aangewezen, tenzij een Staat die Partij is bij dit Verdrag uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de lijst schriftelijk te kennen geeft deze niet te aanvaarden.

8.

De Directeur-Generaal kiest de leider en de leden van een inspectieteam uit de inspecteurs en inspectie-assistenten die reeds zijn aangewezen voor uitdagingsinspecties, rekening houdend met de omstandigheden en de specifieke aard van een bepaald verzoek. Daarnaast kunnen leden van het inspectieteam worden gekozen uit de lijst van gekwalificeerde deskundigen wanneer, naar het oordeel van de Directeur-Generaal, de voor de goede verrichting van een bepaald onderzoek vereiste vakbekwaamheid niet aanwezig is onder de reeds aangewezen inspecteurs.

9.

Bij de briefing van het inspectieteam deelt de Directeur-Generaal alle aanvullende informatie mede die is verstrekt door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, of afkomstig is uit enige andere bron, ten einde te verzekeren dat de inspectie op de meeste doeltreffende en spoedige wijze kan worden verricht.

Zenden van het inspectieteam

10.

Onmiddellijk na de ontvangst van een verzoek om een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens verzoekt de Directeur-Generaal, door middel van contacten met de desbetreffende Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, om regelingen voor de veilige ontvangst van het team, en bevestigt hij deze.

11.

De Directeur-Generaal zendt het team zo spoedig mogelijk, de veiligheid van het team hierbij in aanmerking nemend.

12.

Indien het inspectieteam niet binnen 24 uur na de ontvangst van het verzoek is gezonden, stelt de Directeur-Generaal de Uitvoerende Raad en de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van de redenen voor de vertraging.

Briefings

13.

Het inspectieteam heeft het recht te worden gebrieft door vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, zulks na aankomst en op enig tijdstip gedurende de inspectie.

14.

Voor de aanvang van de inspectie dient het inspectieteam een inspectieplan op te stellen dat, onder andere, als basis dient voor de logistieke regelingen en veiligheidsvoorzieningen. Het inspectieplan dient wanneer nodig te worden bijgewerkt.

C. VERRICHTING VAN DE INSPECTIES

Toegang

15.

Het inspectieteam heeft recht op toegang tot alle gebieden die door het vermeende gebruik van chemische wapens zouden zijn getroffen. Het heeft ook recht op toegang tot ziekenhuizen, vluchtelingenkampen en andere plaatsen die het relevant acht om het vermeende gebruik van chemische wapens doeltreffend te kunnen onderzoeken. Voor bedoelde toegang dient het inspectieteam overleg te plegen met de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

Monsterneming

16.

Het inspectieteam heeft het recht monsters te verzamelen van de typen en in de hoeveelheden die het noodzakelijk acht. Indien het inspectieteam zulks noodzakelijk acht, en indien het hierom verzoekt, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag bijstand te verlenen bij het verzamelen van de monsters onder leiding van inspecteurs of inspectie-assistenten. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ook toe te stemmen in en medewerking te verlenen bij het verzamelen van daarvoor in aanmerking komende controlemonsters uit gebieden in de nabijheid van de plaats van het vermeende gebruik, en uit andere gebieden, voor zover het inspectieteam zulks verlangt.

17.

Monsters die van belang zijn voor het onderzoek naar vermeend gebruik zijn onder andere giftige stoffen, munitie en andere inzetmiddelen, resten van munitie en andere inzetmiddelen, milieumonsters (lucht, bodem, flora, water, sneeuw, enz.) en biomedische monsters afkomstig van mens en dier (bloed, urine, faecaliën, weefsel, enz).

18.

Indien geen extra monsters kunnen worden genomen en de analyse geschiedt in laboratoria elders, dient elk overgebleven monster na afloop van de analyse te worden geretourneerd aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, indien hierom wordt verzocht.

Uitbreiding van de inspectieplaats

19.

Indien het inspectieteam het gedurende een inspectie noodzakelijk acht het onderzoek uit te breiden tot een aangrenzende Staat die Partij is bij dit Verdrag, deelt de Directeur-Generaal die Staat die Partij is bij dit Verdrag mede dat toegang tot zijn grondgebied noodzakelijk is en verzoekt hij om regelingen voor de veilige ontvangst van het team en bevestigt hij deze.

Verlenging van de duur van de inspectie

20.

Indien het inspectieteam van oordeel is dat de veilige toegang tot een bepaald gebied dat van belang is voor het onderzoek niet mogelijk is, dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag daarvan onmiddellijk in kennis te worden gesteld. Indien nodig dient de inspectieperiode te worden verlengd totdat veilige toegang kan worden geboden en het inspectieteam zijn opdracht heeft volbracht.

Vraaggesprekken

21.

Het inspectieteam heeft het recht vraaggesprekken te houden met personen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens en hen te onderzoeken. Het heeft tevens het recht vraaggesprekken te houden met ooggetuigen van het vermeende gebruik van chemische wapens en met medisch personeel en anderen die degenen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens hebben behandeld of contact met hen hebben gehad. Het inspectieteam dient inzage te krijgen in anamneses, indien beschikbaar, en toestemming te krijgen om aanwezig te zijn bij lijkschouwingen, indien van toepassing, van personen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens.

D. VERSLAGEN

Procedures

22.

Het inspectieteam dient uiterlijk 24 uur na aankomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag een verslag van de toestand te doen toekomen aan de Directeur-Generaal. Voorts dient het gedurende het gehele onderzoek zorg te dragen voor de voortgangsrapportage, indien noodzakelijk.

23.

Het inspectieteam dient uiterlijk72 uur na zijn terugkeer op zijn standplaats een voorlopig verslag in te dienen bij de Directeur-Generaal. Het eindverslag dient uiterlijk 30 dagen na terugkeer op de standplaats te worden ingediend bij de Directeur-Generaal. De Directeur-Generaal doet het voorlopige verslag en het eindverslag onverwijld toekomen aan de Uitvoerende Raad en aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

Inhoud

24.

In het verslag inzake de toestand dient de eventuele dringende behoefte aan bijstand en alle andere informatie te worden vermeld. In de voortgangsrapportage dient melding te worden gemaakt van alle verdere behoefte aan bijstand die aan het licht treedt in de loop van het onderzoek.

25.

Het eindverslag dient een overzicht te geven van de concrete bevindingen van de inspectie, in het bijzonder met betrekking tot het vermeende gebruik als genoemd in het verzoek. Bovendien dient een verslag van een onderzoek naar een vermeend gebruik een beschrijving van het onderzoeksproces te omvatten, waarin de verschillende fasen worden doorlopen, onder vermelding van met name:

  • a.de plaatsen en tijdstippen van de monsterneming en analysering ter plaatse; en

  • b.bewijsmateriaal, zoals verslagen van vraaggesprekken, de resultaten van medische onderzoeken en wetenschappelijke analyses en door het inspectieteam bestudeerde stukken.

26.

Indien het inspectieteam, onder andere door het aantreffen van onzuiverheden en andere stoffen tijdens de laboratoriumanalyse van de genomen monsters, in de loop van het onderzoek informatie verzamelt die kan bijdragen tot het opsporen van de herkomst van eventueel gebruikte chemische wapens, dient die informatie in het verslag te worden opgenomen.

E. STATEN DIE GEEN PARTIJ ZIJN BIJ DIT VERDRAG

27.

In geval van vermeend gebruik van chemische wapens dat een Staat betreft die geen Partij is bij dit Verdrag, dan wel een grondgebied dat niet onder het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag valt, werkt de Organisatie nauw samen met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Indien daarom wordt verzocht, stelt de Organisatie haar middelen ter beschikking van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Bijlage inzake de bescherming van vertrouwelijke informatie („vertrouwelijkheidsbijlage”)

A. ALGEMENE BEGINSELEN VOOR HET OMGAAN MET VERTROUWELIJKE INFORMATIE

1.

De verplichting tot het beschermen van vertrouwelijke informatie geldt voor de verificatie van zowel civiele als militaire activiteiten en inrichtingen. Ingevolge de in artikel VIII uiteengezette algemene verplichtingen zal de Organisatie:

  • a.slechts het minimum aan informatie en gegevens verlangen die zij nodig heeft voor de tijdige en doelmatige uitvoering van haar verantwoordelijkheden krachtens dit Verdrag;

  • b.de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat inspecteurs en overige medewerkers van het Technisch Secretariaat voldoen aan de hoogste normen wat betreft doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit;

  • c.overeenkomsten en regelingen ontwikkelen voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, en zo nauwkeurig mogelijk de informatie omschrijven waartoe aan de Organisatie toegang wordt verleend door een Staat die Partij is bij dit Verdrag.

2.

De Directeur-Generaal draagt de hoogste verantwoordelijkheid voor het verzekeren van de bescherming van vertrouwelijke informatie. De Directeur-Generaal stelt strenge regels vast voor het omgaan met vertrouwelijke informatie door het Technisch Secretariaat, en neemt daarbij de volgende richtlijnen in acht:

  • a.Informatie wordt als vertrouwelijk beschouwd indien:

    • i.die informatie als zodanig bestempeld is door de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarvan zij werd verkregen en waarop zij betrekking heeft;

    • ii.naar het oordeel van de Directeur-Generaal redelijkerwijs kan worden verwacht dat de ongeoorloofde onthulling van die informatie schade zou toebrengen aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarop zij betrekking heeft, of aan de mechanismen voor de toepassing van dit Verdrag.

  • b.Alle door het Technisch Secretariaat verkregen gegevens en documenten worden door het desbetreffende onderdeel van het Technisch Secretariaat nagezien op de aanwezigheid daarin van vertrouwelijke informatie. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden geregeld voorzien van de gegevens die zij nodig hebben om zich te verzekeren van de naleving van dit Verdrag door de andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Deze gegevens omvatten:

    • i.de eerste en jaarlijkse verslagen en opgaven die door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden verstrekt ingevolge de artikelen III, IV, V en VI, in overeenstemming met de in de Verificatiebijlage uiteengezette bepalingen;

    • ii.algemene verslagen inzake de resultaten en de doeltreffendheid van verificatie-activiteiten; en

    • iii.informatie die dient te worden verstrekt aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag;

  • c.Informatie die door de Organisatie wordt verkregen in verband met de toepassing van dit Verdrag mag niet worden gepubliceerd of op andere wijze worden vrijgegeven, behalve als volgt:

    • i.Algemene informatie over de toepassing van dit Verdrag kan worden gebundeld en openbaar worden gemaakt in overeenstemming met de besluiten van de Conferentie of de Uitvoerende Raad;

    • ii.Informatie kan worden vrijgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarop die informatie betrekking heeft;

    • iii.Informatie die als vertrouwelijk is gerubriceerd, wordt door de Organisatie uitsluitend vrijgegeven volgens procedures die verzekeren dat het vrijgeven van de informatie alleen geschiedt in strikte overeenstemming met hetgeen voor de toepassing van dit Verdrag noodzakelijk is. Deze procedures zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge Artikel VIII, lid 21, letter i;

  • dHet niveau van gevoeligheid van vertrouwelijke gegevens of documenten wordt vastgesteld op basis van criteria die eenvormig dienen te worden toegepast opdat passende behandeling en bescherming ervan wordt verzekerd. Hiertoe wordt een rubriceringssysteem ingevoerd dat, voortbouwend op het desbetreffende werk dat tijdens de voorbereiding van dit Verdrag is aangevangen, voorziet in duidelijke criteria die moeten verzekeren dat de informatie in passende vertrouwelijkheidsklassen wordt ingedeeld en dat het vertrouwelijke karakter van die informatie behouden blijft zolang dit gerechtvaardigd is. Het rubriceringssysteem moet enerzijds met de nodige flexibiliteit worden toegepast en anderzijds de rechten beschermen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die vertrouwelijke informatie verstrekken. Een rubriceringssysteem zal worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i;

  • e.Vertrouwelijke informatie wordt op veilige wijze opgeslagen in het kantoor van de Organisatie. Sommige gegevens of documenten kunnen ook worden opgeslagen bij de Nationale Autoriteit van een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Gevoelige informatie, met inbegrip van onder andere foto’s, plattegronden en andere documenten die slechts vereist zijn voor de inspectie van een bepaalde inrichting, kan achter slot en grendel in die inrichting worden bewaard;

  • f.Voor zover niet strijdig met de doeltreffende toepassing van de verificatiebepalingen van dit Verdrag wordt informatie door het Technisch Secretariaat behandeld en opgeslagen in een zodanige vorm dat het niet mogelijk is de inrichting waarop de informatie betrekking heeft, onmiddellijk te herkennen;

  • g.De hoeveelheid vertrouwelijke informatie die uit een inrichting wordt meegenomen wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de tijdige en doeltreffende toepassing van de verificatiebepalingen van dit Verdrag; en

  • h.De toegang tot vertrouwelijke informatie wordt geregeld in overeenstemming met de rubricering ervan. De verspreiding van vertrouwelijke informatie binnen de Organisatie geschiedt strikt op basis van de noodzaak van kennisneming ervan.

3.

De Directeur-Generaal brengt jaarlijks verslag uit aan de Conferentie over de uitvoering van alle regelingen voor de wijze waarop het Technisch Secretariaat omgaat met vertrouwelijke informatie.

4.

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de informatie die hij van de Organisatie ontvangt te behandelen overeenkomstig het voor die informatie vastgestelde niveau van vertrouwelijkheid. Op verzoek dient een Staat die Partij is bij dit Verdrag bijzonderheden te verstrekken over de wijze waarop wordt omgegaan met de door de Organisatie aan die Staat verstrekte informatie.

B. AANSTELLING EN HANDELWIJZE VAN MEDEWERKERS VAN HET TECHNISCH SECRETARIAAT

5.

De voorwaarden voor het aanstellen van personeel dienen van dien aard te zijn dat verzekerd wordt dat de door de Directeur-Generaal in overeenstemming met Titel A vastgestelde procedures worden gevolgd wat betreft de toegang tot en met omgaan met vertrouwelijke informatie.

6.

Voor iedere functie binnen het Technisch Secretariaat dient een formele functieomschrijving te worden opgesteld, waarin wordt omschreven of en in welke mate toegang tot vertrouwelijke informatie in die functie noodzakelijk is.

7.

De Directeur-Generaal, de inspecteurs en de andere medewerkers mogen geen vertrouwelijke informatie onthullen waarvan zij kennis nemen in de verrichting van hun officiële taken aan onbevoegden, zelfs niet na beëindiging van hun functies. Zij mogen aan geen enkele Staat, organisatie of persoon buiten het Technisch Secretariaat informatie doorgeven waartoe zij toegang hebben in verband met hun activiteiten met betrekking tot een Staat die Partij is bij dit Verdrag.

8.

In de uitoefening van hun functie mogen inspecteurs slechts verzoeken om de informatie en gegevens die zij nodig hebben voor de vervulling van hun mandaat. Zij mogen geen dossiers bijhouden van informatie die incidenteel wordt verzameld en geen verband houdt met de verificatie van de naleving van dit Verdrag.

9.

De medewerkers dienen individuele geheimhoudingsovereenkomsten aan te gaan met het Technisch Secretariaat voor de duur van hun aanstelling plus een tijdvak van vijf jaar na de beëindiging daarvan.

10.

Ter vermijding van ongewenste onthulling worden inspecteurs en medewerkers op passende wijze geïnstrueerd over en gewezen op beveiligingsoverwegingen en de mogelijke sancties die hun zouden worden opgelegd in geval van ongewenste onthulling.

11.

Ten minste 30 dagen voordat aan een medewerker toestemming wordt verleend voor toegang tot vertrouwelijke informatie die betrekking heeft op activiteiten op het grondgebied van of op een andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, dient die Staat in kennis te worden gesteld van de voorgenomen verlening van toegang. Wat inspecteurs betreft, wordt aan dit vereiste geacht te zijn voldaan met de kennisgeving van een voorgenomen aanwijzing.

12.

Bij de evaluatie van het functioneren van inspecteurs en andere medewerkers van het Technisch Secretariaat dient in het bijzonder te worden gelet op de staat van dienst van de medewerker ten aanzien van de bescherming van vertrouwelijke informatie.

C. MAATREGELEN TER BESCHERMING VAN GEVOELIGE INSTALLATIES EN TER VOORKOMING VAN DE ONTHULLING VAN VERTROUWELIJKE GEGEVENS IN DE LOOP VAN VERIFICATIE-ACTIVITEITEN TER PLAATSE

13.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kunnen alle maatregelen nemen die zij noodzakelijk achten ter bescherming van de vertrouwelijkheid, mits zij voldoen aan hun verplichtingen betreffende het aantonen van de naleving van het Verdrag in overeenstemming met de desbetreffende artikelen en de Verificatiebijlage. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die een inspectie ondergaat, kan aan het inspectieteam de uitrusting, de documentatie of de ruimten aanwijzen die hij beschouwt als gevoelig en niet relevant voor de doeleinden van de inspectie.

14.

De inspectieteams dienen zich te laten leiden door het beginsel dat inspecties ter plaatse worden verricht op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige voltooiing van de missie. Zij dienen voorstellen in overweging te nemen die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag die een inspectie ondergaat, in ieder stadium van de inspectie kunnen worden gedaan om te verzekeren dat gevoelige uitrusting of informatie die geen verband houdt met chemische wapens, wordt beschermd.

15.

De inspectieteams dienen zich strikt te houden aan de bepalingen betreffende de verrichting van inspecties in de desbetreffende artikelen en Bijlagen. Zij dienen alle procedures die zijn ontwikkeld ter bescherming van gevoelige installaties en ter voorkoming van de onthulling van vertrouwelijke gegevens, ten volle te eerbiedigen.

16.

Bij het uitwerken van regelingen en inrichtingsakkoorden dient voldoende rekening te worden gehouden met de plicht vertrouwelijke informatie te beschermen. Overeenkomsten inzake inspectieprocedures voor afzonderlijke inrichtingen dienen mede specifieke en gedetailleerde regelingen te omvatten betreffende de vaststelling van de ruimten in de inrichting waartoe de inspecteurs toegang krijgen, de opslag van vertrouwelijke informatie ter plaatse, de reikwijdte van de inspectiewerkzaamheden in de overeengekomen gebieden, het nemen van monsters en de analyse ervan, de toegang tot dossiers en het gebruik van instrumenten en van apparatuur voor constante controle.

17.

Het na iedere inspectie op te stellen verslag dient enkel feiten te bevatten die verband houden met de naleving van dit Verdrag. Het verslag dient te worden behandeld in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels voor het omgaan met vertrouwelijke informatie. Indien nodig mag de in het verslag vervatte informatie in minder gevoelige vormen worden verwerkt voordat zij wordt verspreid buiten het Technisch Secretariaat en wordt doorgegeven aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

D. PROCEDURES IN GEVAL VAN SCHENDING OF VERMEENDE SCHENDING VAN DE VERTROUWELIJKHEID

18.

De Directeur-Generaal stelt de nodige procedures vast die moeten worden gevolgd in geval van schending of vermeende schending van de vertrouwelijkheid, rekening houdend met de door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i, te bestuderen en goed te keuren aanbevelingen.

19.

De Directeur-Generaal ziet toe op de toepassing van afzonderlijke geheimhoudingsovereenkomsten. De Directeur-Generaal stelt onmiddellijk een onderzoek in indien naar zijn oordeel voldoende factoren erop duiden dat de verplichtingen betreffende het beschermen van vertrouwelijke informatie zijn geschonden. De Directeur-Generaal stelt ook onmiddellijk een onderzoek in indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag beweert dat er sprake is van een schending van de vertrouwelijkheid.

20.

De Directeur-Generaal legt passende strafmaatregelen en disciplinaire maatregelen op aan medewerkers die hun verplichtingen tot het beschermen van vertrouwelijke informatie hebben geschonden. In geval van ernstige schending kan door de Directeur-Generaal afstand worden gedaan van de immuniteit van rechtsmacht.

21.

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verlenen, voor zover mogelijk, hun medewerking en steun aan de Directeur-Generaal bij het onderzoeken van schendingen of vermeende schendingen van de vertrouwelijkheid en bij het treffen van passende maatregelen indien een schending is vastgesteld.

22.

De Organisatie wordt niet aansprakelijk geacht voor schendingen van de vertrouwelijkheid door medewerkers van het Technisch Secretariaat.

23.

Bij schendingen waarbij zowel een Staat die Partij is bij dit Verdrag als de Organisatie betrokken zijn, wordt de zaak beoordeeld door een „Commissie voor de regeling van geschillen met betrekking tot vertrouwelijkheid”, die wordt ingesteld als ondergeschikt orgaan van de Conferentie. Voorschriften betreffende haar samenstelling en werkwijze zullen door de Conferentie tijdens haar eerste vergadering worden aangenomn

https://wetten.overheid.nl/BWBV0001193/2020-06-07#Verdrag_2

By | 2022-01-27T20:50:02+01:00 januari 27th, 2022|verdragen internationaal|0 Comments

About the Author:

Leave A Comment